Kinderen van bijna-goddelijke vaders

Honderden domineeskinderen komen vandaag samen in de Nieuwe Kerk in Amsterdam voor een congres over en voor `doki's'. Is opgroeien in de pastorie zo bijzonder?

Willem Smith, 14 jaar, zoon van hervormd predikant Gert Smith uit Stadskanaal: ,,De kerkmuur is 59 stenen hoog.'' Zijn broer, Aart Smith, 16 jaar: ,,Er hangen 52 lampen aan het plafond.'' Willem: ,,En het orgel heeft 45 pijpen.''

Elke zondagochtend roept hun vader: wie gaat er mee? Ten minste twee van de vijf zoons gaan mee. Dat moet. Kees, de jongste van negen, gaat altijd wel. Gerard van 11 vindt het eigenlijk wel leuk, vooral de collecte. Aart mag sinds zijn zestiende verjaardag om de week een dienst van zijn vader overslaan.

Aart ,,Dat heeft veel zeuren gekost. Zeiden zij: het is belangrijk voor later. Of: wij moesten vroeger ook.''

Willem: ,,Ma moest vroeger soms wel drie uur in de kerk zitten. Ze vond het volgens mij ook niet echt superleuk.''

Aart: ,,Pa moest ook altijd. Hij zal het wel interessant gevonden hebben.''

Dat Aart, nu hij in vijf atheneum zit, huiswerk moet maken, is geen excuus. ,,Mijn moeder heeft sowieso liever niet dat we dat op zondag doen.''

En `geen zin' is geen argument. ,,Moeder houdt het bij. Als ik de ene week niet ben geweest, haalt ze me de volgende zondag gewoon uit bed.'' Maakt niet uit dat hij er pas om vijf uur in lag.

Willem mag nu een keer per maand een kerkdienst overslaan. Oudste broer Hendrik van zeventien gaat nog sporadisch mee.

Willem: ,,Dan zit hij daar met z'n dreadlocks, z'n piercings, de bierbeugels aan zijn broek en schroeven in zijn T-shirt. Pa en ma hebben het liever niet dat hij zo komt. Maar het kost hem een uur om het allemaal af te doen. Willem: ,,Wij hoeven nooit meer zondagse kleren aan. Dat komt door Hendrik. Alles is nu goed, als het maar schoon is.''

Domineeskinderen hebben iets gemeen, zegt domineeszoon Freek de Jonge. Ze delen een jeugd in de `keuken van het geloof'. Ze hebben een vader die status had, of hij nou dominee was in een stad of op het platteland. Ze delen de vele verhuizingen, als hun vader `beroepen' werd in andere gemeente. En ze delen de herinnering aan het opgroeien in `een glazen huis', waar de gemeenteleden nauwlettend in de gaten hielden of de kinderen van de dominee zich wel gedroegen. De een denkt met afschuw terug aan de vader in toga die op de kansel over liefde preekte, en er thuis op los ranselde. De ander voelde zich juist lid van de koninklijke familie met een vader die notabele was, die op gelijke voet stond met de burgemeester en de dokter. Domineeskinderen delen in elk geval het gevoel dat ze een bijzondere jeugd hadden, of het nu waar is of niet.

Het congres dat vandaag in de Nieuwe Kerk wordt gehouden was een idee van Freek de Jonge. In dagblad Trouw stonden de afgelopen weken interviews met bekende en minder bekende domineeskinderen over hun jeugd: journaallezer Harmen Siezen, filmrecensent René Mioch, longarts en LPF-fractielid Gerlof Jukema, rapper Brainpower, Opzij-hoofdredacteur Ciska Dresselhuys.

Godsdienstsocioloog Hijme Stoffels van de Universiteit van Amsterdam hield een enquête onder domineeskinderen die voor 1985 zijn geboren. Hij verwachtte een respons van hooguit vierhonderd, maar duizenden kinderen uit vooral hervormde en gereformeerde gezinnen reageerden.

Hebben deze kinderen een klap van de molen gehad, vroeg Stoffels zich af. Het lijkt erop van niet. De meeste respondenten (69 procent) vonden het gezinsleven warm en oprecht vroom. Slechts een enkeling zegt te lijden aan het domineeszoonsyndroom. De zoon die opgroeit in de schaduw van zijn `bijna-goddelijke' vader en daardoor zijn eigen identiteit dreigt te verliezen. Die, zoals literatuurrecensent Michaël Zeeman, altijd `de zoon-van' was en die `een abonnement op de psychiater' nodig had om over zijn vader heen te komen.

Het klassieke Nederlandse domineesgezin sterft uit, zeggen de volwassen domineeskinderen. Het gezin van de dominee woont, om maar iets te noemen, niet meer in de pastorie naast de kerk, maar in een rijtjeshuis. De dominee is geen burger van aanzien meer, maar is, al in de jaren tachtig op de statusladders gezakt tot onder de leraar en de kolonel.

Voor Aart en Willem Smith en hun broers is het domineesbestaan nog springlevend. Al drie keer verhuisd, van een gehucht bij Dokkum, via Sint Nicolaasga naar Stadskanaal. Om de week catechisatie (Willem zit bij zijn vader in de groep). Voor en na het eten bidden. Bijbellezen gebeurt alleen nog als er gasten zijn. En `u' zeggen tegen alle volwassenen, inclusief hun ouders. Aart: ,,Maar als buitenstaanders u zeggen tegen mijn moeder, zegt ze meteen: zeg maar Grieta.''

Geen afspraken maken op zondag, niet zwemmen of skaten of naar de film. Mag er een meisje blijven slapen? ,,Als we het van tevoren netjes vragen.'' Mogen ze met haar vrijen? ,,Geen idee. Nooit gevraagd.'' En natuurlijk vraagt hun vader soms waar de preek over ging. Maar hij wordt allang niet meer boos als ze het niet weten.

Hadden ze liever een vader met een ander beroep gehad? Willem: ,,Eigenlijk niet.'' Aart: ,,Misschien was hij anders minder streng geweest.''

Willem: ,,Dat is niet omdat hij dominee is. Dat komt door opa. Die was ook hartstikke streng. Misschien worden wij het later ook wel.''

    • Rinskje Koelewijn