In het Witte Huis woont altijd een cowboy

Anti-Amerikanisme behoort tot de tweede natuur van de Fransen: Amerikanen hebben in hun ogen geen verleden, geen beschaving, geen identiteit en geen cultuur. Hoe komt dit toch? `Omdat de Fransen de teloorgang van hun status als wereldmacht niet onder ogen kunnen en willen zien, projecteren ze hun onvrede en ongeluk op het land dat die betreurde macht wel heeft.'

Niets zal nu de transatlantische band kunnen verbreken'', zei de Franse president Jacques Chirac op 9 september jongstleden, bijna een jaar na de aanslagen in New York en Washington, in een vraaggesprek met The New York Times. Op de laconieke toon die hij als geen ander in netelige kwesties weet te kiezen, vergeleek Chirac de traditioneel moeizame relatie tussen zijn land en Amerika – weer eens actueel wegens de meningsverschillen over Irak – met die tussen bloedverwanten. ,,Nou ja, zoals in alle families maken we ruzie [...] Eén lid kan natuurlijk niet zijn wil aan de rest van de familie opleggen. Dat neemt niet weg dat de hele familie direct klaarstaat, als er een probleem is.''

Zowel in ,,het persoonlijke als het internationale leven'' zijn er ,,vrienden en vleiers'', zo stelde Chirac ook nog vast. En Frankrijk is een vriend, maar ,,niet noodzakelijkerwijs'' een vleier.

Het laatste is duidelijker dan het eerste. Anti-Amerikanisme behoort tot de tweede natuur van de Fransen, in de politiek zowel als onder de burgers. Geen gesprek in de amicale sfeer of ik krijg het voor mijn kiezen, omdat Nederlanders in de ogen van de Fransen behalve Bataafs ook `Angelsaksisch' zijn. Iemand die ik al dertig jaar ken zegt van de ene na de andere Amerikaanse president dat hij ,,niet kan lopen en kauwgom kauwen tegelijkertijd''.

Wie ook in het Witte Huis zit, het is altijd een `cowboy', een `sheriff', een `B-acteur'. De liefde van het publiek voor de antimondialiseringsactivist José Bové berust goeddeels op weerzin tegen Amerika. Met afkeer van de `malbouffe', het slechte vreten, heeft Bové's succes in elk geval weinig te maken: Frankrijk is de grootste Europese markt voor de snelrestaurantketen McDonald's.

Amerikanen hebben in de ogen van de Fransen, en in nadrukkelijke tegenstelling tot henzelf, geen verleden, geen beschaving, geen identiteit, geen cultuur.

Amerika is trouwens ook geen democratie. Dat is weer eens gebleken tijdens de laatste verkiezingen, waarvan de uitslag door de rechter is bepaald. Monica Lewinsky is ook nog niet vergeten. Belachelijk, dat puritanisme, en nog belachelijker is het om op grond daarvan een president te willen afzetten. Bernadette Chirac schrijft in haar autobiografie openhartig over de affaires van haar man. Dat een Franse president volgens de Grondwet niet kan worden afgezet, om geen enkele affaire behoudens hoogverraad, is weer een ander verhaal.

Het ergste van alles is dat de Amerikanen de wereld naar hun pijpen willen laten dansen. Het codewoord van het hedendaagse Franse anti-Amerikanisme is unilatéralisme. Amerikáánse eigengereidheid.

Daar verwijst ook de president naar, met zijn familiemetafoor. De filosoof Jean-François Revel, 78 jaar en lid van de eerbiedwaardige Académie Française, heeft er ongetwijfeld tandenknarsend kennis van genomen. Revel heeft over het eenzijdige Amerikaanse optreden, of liever over het hierop betrekking hebbende, bij uitstek Franse verwijt aan Amerika, het boek L'obsession anti-américaine geschreven. Het verscheen enkele dagen voor de publicatie van het interview met Chirac. Dit interview had, net als tal van andere voorbeelden die Revel aanhaalt, zijn genadeloze analyse mooi kunnen illustreren.

Want wat zegt de Franse president over het Palestijns-Israëlische conflict? ,,[...] de zwaarste verantwoordelijkheid is, uiteraard, die van de Verenigde Staten, want dit land is immers als enige bij machte een beetje invloed uit te oefenen op de Israëlische autoriteiten.'' Precies zó ziet het eruit, het anti-Amerikanisme volgens Revel. Frankrijk beroemt zich van oudsher op een speciale relatie met de Arabische wereld, maar de ,,zwaarste verantwoordelijkheid'' om een ,,beetje invloed'' uit te oefenen op bijvoorbeeld de Palestijnse autoriteiten ligt niet bij de Fransen. Sterker: doet Amerika niets, of doet het niet genoeg, dan geeft het land zich over aan isolationisme of ontloopt het zijn verantwoordelijkheid. En grijpt Amerika in – meestal omdat de rest van de wereld en vooral het steevast verdeelde Europa niets doen – dan is het arrogant, dom en agressief, een brute kracht, als altijd uit op eigen voordeel.

Wat Amerika ook doet of laat, het is nooit goed of het deugt niet, zo luidt de wet van Revel.

Angst en jaloezie

Vrijwel gelijktijdig met Revels boek verscheen L'ennemi américain van de socioloog Philippe Boger. Dit boek heeft als ondertitel: `Stamboom van het Franse anti-Amerikanisme'. Terwijl Revel zijn pijlen richt op het verschijnsel zelf en de staaltjes van anti-Amerikanisme veelal ontleent aan de brandende actualiteit, beschrijft Roger het ontstaan (al tijdens de Verlichting) en de geschiedenis ervan. Onder invloed van gebeurtenissen maar ook van getuigenissen van schrijvers en intellectuelen volgens de 18de-eeuwse natuurvorser George Buffon, die nooit in Amerika geweest is, was de Amerikaanse aarde `verrot', blaften de honden er niet en legden de kippen geen eieren had het anti-Amerikanisme steeds andere `oorzaken': van minachting via angst en jaloezie tot eigen onmacht.

Het anti-Amerikanisme, volgens Revel pure haat, heeft dezelfde kenmerken als racisme of antisemitisme. Het is een op vooroordelen en clichés gebaseerde afkeer, die in stand wordt gehouden door gebrek aan kennis van de feiten, waarvan veel Fransen volgens Revel bovendien geen kennis willen nemen. De vriend die nog nooit een Amerikaanse president heeft gezien die tegelijk lopen en kauwgom kan kauwen weigert inderdaad Revels boek te lezen. ,,Het verandert mijn mening toch niet.'' Bovendien is Revel ,,een oude man'' en ,,rechts, zoals alle oude mannen''. Een andere vriend, professor in de chemie aan de universiteit van Amiens met een onberispelijk wetenschappelijke reputatie, zegt precies hetzelfde: ,,Ik ga toch niet anders denken over Amerika.''

Toch zijn L'obsession en L'ennemi kassucessen in Frankrijk, misschien dankzij wat Roger ,,de masochistische luiheid'' van zijn landgenoten noemt. Het minst omvangrijke van de twee, L'obsession anti-américaine, is dankzij Revels roem, zijn gebruikelijke bijtende toon en alom geprezen geïnformeerdheid zelfs een bestseller. Opmerkelijk ook is dat niemand het bestaan van het Franse anti-Amerikanisme ontkent, dat wil zeggen: bijna niemand. Alleen Thierry de Montbrial, econoom en directeur van het Institut Français des Relations Internationales (Ifri), waagt een poging in zijn bespreking van beide boeken: ,, [...] de conclusie dat er in Frankrijk [...] een diepgeworteld, chronisch en dus actief anti-Amerikanisme bestaat, kan uit geen enkele serieuze studie getrokken worden''. Zijn compliment, enkele alinea's daarvoor, dat Roger ,,met grote eruditie ons anti-Amerikanisme (aantoont)'', was hij kennelijk al vergeten.

Het pleit in zekere zin voor hem. De wens is waarschijnlijk de vader van de gedachte. Anders dan Montbrial hebben de meeste Fransen geen enkel probleem met hun anti-Amerikanisme. Het wordt ook beschouwd als een soort nuttige aanvulling op het gebruikelijke chauvinisme. Een vriendin die geen enkele andere taal dan het Frans beheerst verklaart iedere keer als ik haar naar de precieze betekenis van een woord vraag, dat die niet te geven is ,,omdat het Frans nuances kent die in andere talen nu eenmaal ontbreken''. Een Franstalige rapper zei laatst hetzelfde in een interview: zijn complexe boodschap was naar zijn oordeel in geen enkele andere taal dan uitgerekend zijn moedertaal te vatten.

Roger heeft dan ook niet de illusie dat het anti-Amerikanisme zal verdwijnen. In een interview zei hij het niet voor onmogelijk te houden dat de Franse intelligentsia terugkomt van haar anti-Amerikanisme, maar hij betwijfelde of dat in het algemeen veel zal helpen. Hij was getroffen door het succes van het door verzameld intellectueel Frankrijk verguisde boek van ene Thierry Meyssan, waarin zonder enige vorm van bewijs beweerd wordt dat de Amerikanen de aanslagen van 11 september zelf in scène hebben gezet. Motief: het veiligstellen van oliebelangen door uiterst rechtse samenzweerders in de regering-Bush.

Er werden in korte tijd meer dan tweehonderdduizend exemplaren van Meyssans boek verkocht. De alom toegankelijke kennis van de feiten deed aan de geloofwaardigheid van de uitzinnige theorie niets af. Zoals ook zelfkennis niet helpt. Want geen commentator laat onvermeld dat het Franse anti-Amerikanisme meer zegt over de Fransen dan over de Amerikanen. Zo is Meyssans succes ontegenzeggelijk terug te voeren op de voorliefde van Fransen, gepokt en gemazeld door schandalen aan de top van de eigen Republiek, voor complottheoriëen.

De onopgehelderde `zelfmoorden' van enkele ministers in de tijd van de toenmalige president François Mitterrand liggen vers in het geheugen. Als het westen van Frankrijk onder water loopt, dan is dat opzet van `Parijs'. En natuurlijk, zo weet een modale Fransman bij de bakker, heeft de zwakbegaafde moslim die de Parijse burgemeester Bertrand Delanoë onlangs met een mes in de buik stak, niet gehandeld uit homohaat. Zoals we kunnen weten van Agatha Christie heeft de dader belang bij zijn misdaad. En wie anders dan `rechts' is na honderd jaar hegemonie het bastion Parijs kwijtgeraakt aan de socialist Delanoë? Nou dan.

Meyssans complottheorie heeft bovendien het voordeel dat die wortelt in het onwrikbare cliché van de Amerikaanse hebzucht. Anders dan het idealistische en sociale Frankrijk, nation de culture par excellence (Revel laat geen spaan heel van dat zelfbeeld), heeft het in economisch opzicht superliberale Amerika nooit andere motieven dan materieel eigengewin. Op basis van dit uitgangspunt ontvouwde ook de vooraanstaande denker Jean Baudrillard nog geen maand na de aanslagen onder de kop `De geest van het terrorisme' een theorie in Le Monde die nauwelijks voor die van Meyssan onderdeed. De bij zichzelf vastgestelde en naar zijn overtuiging wijdverbreide ,,ongehoorde vrolijkheid'' om de supermacht vernietigd te zien worden bracht Baudrillard tot de conclusie dat het hier om een kwestie ging van ,,terreur tegen terreur''. De ene vorm van fundamentalisme roept de andere op, zo logisch was het.

Baudrillards formuleringen lieten ruimte voor de mogelijkheid dat hij zich, verwijzend naar de ,,onverdraaglijke macht'' die geweld uitlokt, verplaatste in het hoofd van de terrorist. Maar de verve waarmee hij dat deed en de aan dédain grenzende onverschilligheid waarmee hij schreef over ,,de morele veroordeling, dit heilige verbond tegen het terrorisme'' waren op zichzelf aanleiding genoeg geweest voor meer reacties dan die van schrijver/publicist Alain Minc alleen, die onder de kop `Het terrorisme van de geest' Baudrillard uitmaakte voor huisfilosoof van het ,,terroristische model''.

Verdiende loon

Er is misschien ook wel geen beginnen aan. Volgens oud-minister van Binnenlandse Zaken Jean-Pierre Chevènement is de hele Irak-kwestie terug te voeren op de Amerikaanse behoefte aan ,,een benzinepomp'' en volgens oud-minister van Buitenlandse Zaken Hubert Védrine, kampioen-bestrijder van het Amerikaanse unilatéralisme en in dat verband bedenker van het woord `hypermacht' waarmee hij verder ,,niets negatiefs'' bedoelt, heeft 11 september ,,geen omwenteling in de wereld teweeggebracht, maar de Verenigde Staten bevrijd van hun terughoudendheid ten opzichte van de problemen in de wereld''.

,,Dat is al heel wat'', zo vatte Védrine de positieve gevolgen van de aanslagen nog samen, kennelijk niet beseffend dat ook hij, door Amerika zowel te verwijten eigenmachtig op te treden als terughoudend te zijn, de wet van Revel maar weer eens bevestigde.

President Chiracs vergelijking van het persoonlijke met het internationale leven geldt ook op nationaal niveau. Voor psycho-analist Nicolas Rigucci is dat zonneklaar. Zijn cliënten veroordeelden de aanslagen in Amerika vlak daarna vrijwel allemaal met het oog op de slachtoffers, maar het land Amerika had zijn ,,verdiende loon'' gekregen. Dat Baudrillards ,,ongehoorde vrolijkheid'' weinig protest opriep heeft hem dan ook niet verbaasd. Rigucci is zelf een fervent Amerika-ganger. Direct bij zijn eerste bezoek ontdekte hij er ,,een vitaliteit waarvan ik tot dan toe het bestaan niet eens vermoedde''. Dat het gros van zijn landgenoten daar anders over denkt is voor hem ,,onomstotelijke waarheid''. Tijdens een etentje met vrienden werd hem eens te verstaan gegeven op te houden enthousiast over zijn reizen naar Amerika te vertellen of anders maar op te stappen. ,,We houden niet van Amerika en niet van Amerikanen'', zo werd het verzoek gemotiveerd.

Volgens hem is zijn land niet alleen simpelweg jaloers maar vertoont het ook de typische trekken van een neurose-patiënt. ,,Omdat de Fransen hun eigen `mislukking', de teloorgang van hun status als wereldmacht, niet onder ogen kunnen en willen zien, projecteren ze hun onvrede en ongeluk op het land dat die betreurde macht wel heeft. Anders dan Groot-Brittannië, dat een soortgelijk traumatisch verleden heeft, is Frankrijk er niet in geslaagd een nieuwe identiteit te vinden. Jonge Britse kunstenaars vormen zelfs een eigen stroming in de kunst, Franse tegenhangers zijn er niet of nauwelijks. Het is typerend voor de `patiënt' Frankrijk dat hij krampachtig de mythe in stand houdt dat Amerika geen identiteit heeft: het is precies de kwaal van de patiënt zelf. Dit land kampt met een psychisch gewelddadige leegte. Het succes van een film als Le fabuleux destin d'Amélie Poulain, een plaatjesboek zonder enige inhoud, spreekt boekdelen.''

Omdat neurose-patiënten de confrontatie met hun eigen probleem niet aankunnen, is Frankrijk volgens Rigucci ook zo tevreden met bijvoorbeeld de euro. ,,Die staat niet alleen voor monetaire stabiliteit. De euro en het grote verenigde Europa dat in het verlengde van de gemeenschappelijke munt ligt bieden Frankrijk de mogelijkheid aan een pijnlijke confrontatie met zichzelf te blijven ontsnappen. Het land gaat immers op termijn op in een groter geheel dat mogelijk ooit een volwaardige macht tegenover Amerika gaat vertegenwoordigen. Uiteraard moet dat geheel wel zo Frans mogelijk zijn, want bij het ziektebeeld van de neuroticus hoort ook de angst voor veranderingen. Hervormingen zijn hier niet voor niets tot mislukken gedoemd.''

Europa als medicijn tegen Amerika-haat. Het is niet de enige optie. Deze week hielden de vijfenvijftig landen die ,,het Frans met elkaar delen'' hun tweejaarlijkse top, ingesteld in 1986, in Beiroet. In zijn verklaring noemde eregast president Jacques Chirac het francophone verbond een strijd tegen ,,de uniformisering''. Men hoeft niet francofoon te zijn om te begrijpen dat hij daarmee `amerikanisering' bedoelt. Hoewel slechts verbonden door een taal en gedreven door het officiële oogmerk ,,culturele diversiteit'' te waarborgen (tegen het Engels), legden de deelnemende landen, alsof ze een geopolitiek machtsblok vormen, na afloop van de top een reeks gemeenschappelijke politieke verklaringen af. Over Irak, het Midden-Oosten, Ivoorkust. `Francofone' standpunten, maar ze kwamen precies overeen met die van Frankrijk.

Ik neem willekeurig wat oude kranten door en mijn oog valt op een stuk in het rechtse dagblad Le Figaro, van 14 september jongstleden. Het is van de hand van Guillaume Parmentier, directeur van het Centre Français sur les États-Unis. Een kenner, niet iemand die zich afsluit voor de juiste informatie, mag je hopen. De toon is Frans. ,,De Amerikaanse samenleving is kort van geheugen...'', staat er zomaar ineens. En: ,,[...] de politieke mechanismen zorgen dat iedere politieke manoeuvre een tegengestelde reactie oproept...'' En ook: ,,[...] trots op de superioriteit van de economie [...], vanaf de oprichting uit op materiële vooruitgang, die zo goed als een morele rechtvaardiging is voor het handelen''. En ten slotte: ,,[...] de Amerikaanse geest bevindt zich in de overgangsfase van arrogantie naar een depressie [...]''

De strekking van het stuk staat in een vergroot citaat in een kader. ,,We hadden niet veel op met de Amerikaanse zelfverzekerdheid van de jaren negentig, maar we zullen die misschien nog eens gaan betreuren.''

Inderdaad, het is nooit goed of het deugt niet.