Goeroes zijn goed: Steriel

Het artikel De sombermansbril afgezet van Shervin Nekuee (Z, 19 oktober) maakt op indrukwekkende wijze duidelijk hoe steriel de huidige discussies over de islam in Nederland zijn geworden. Nederlanders die op grond van wat geblader in de koran iedere moslim ter verantwoording roepen over hoofddoekjes of de elfde september zijn niet alleen gênant, maar hun gedrag werkt ook averechts. Want de aangesprokenen zijn zelden schriftgeleerden, weten het ook niet of zijn niet dol op abstracte discussies. Liever trekken ze zich terug in stilzwijgen en wrokkig isolement. Dat is voor assertieve Nederlanders misschien zorgwekkend, maar niet onbegrijpelijk.

In Nederland wonen bovendien geen `abstracte' moslims, maar Turken, Marokkanen, Somaliërs en anderen die een of andere vorm van de islam belijden. Het is nog maar de vraag wat daarbij het sterkst doorwerkt: hun herkomst uit overwegend arme, conservatieve en laag opgeleide boerengemeenschappen in marginale streken van Turkije of Marokko of hun godsdienstige overtuiging. Eén voorbeeld: een Turks koffiehuis in Amsterdam telt onder zijn bezoekers nog steeds vrijwel alleen eigen familie, dorps- en regiogenoten. En die bezoekers hebben in een ander koffiehuis niets te zoeken, want daar zitten de bewoners van een ander dorp.

Godsdienst speelt bij deze scheiding geen rol. Die godsdienst schept bovendien nauwelijks gemeenschappelijke banden, want moslimgroepen van verschillende nationaliteiten hebben elkaar werkelijk niets te zeggen, tenzij ze Nederlands met elkaar spreken. Net als kerken hebben moskeeën een belangrijke functie als ontmoetingsplaatsen voor familie, dorps- en landgenoten, maar het zijn geen internationale conferentieoorden. Marokkanen en Turken met een stedelijke achtergrond – en die zijn hier ook – hebben waarschijnlijk meer met Nederlanders gemeen dan met hun boerse landgenoten, ondanks een gemeenschappelijke godsdienst.

Inmiddels zijn door individuele beslissingen en handelingen die naar Nederland overgeplaatste dorpse verhoudingen aan het verschuiven. Dat veroorzaakt pijn en verdriet, brengt mislukking en tegenslag, maar ook ouderlijke trots en aanzien in de eigen gemeenschap. We hebben in Nederland een rijke literatuur over hoe het was om zich te ontworstelen aan een conservatief katholiek of orthodox-protestants kleinsteeds milieu. We zouden dus moeten weten hoe moeilijk dat gaat, ook bij kinderen van allochtone ouders.

Aan die integratie valt weinig te sturen, behalve met een onvoorwaardelijk gelijke behandeling voor de wet en het strikt handhaven van wetten, door niet met slappe knieën te reageren als een islamitische groep begint te zeuren, maar door een gesprek aan te gaan en op de Nederlandse vrijheden en regels te wijzen, en vooral door het aanbieden van uitstekend onderwijs (maar dat is voor ieder kind in Nederland tegenwoordig een probleem).

Op dit moment zijn de grote verliezers die groepjes van zich als onuitstaanbare macho's gedragende Marokkaanse jongens (met hoog opgeschoren kuif en een kort donker jack). En wat voor hen nog erger is: die leuke, intelligente Marokkaanse meiden weten dat natuurlijk ook. Veel Marokkaanse jongens lukt het overigens wel om op een eigen manier een plaats te vinden in de Nederlandse samenleving. Waar dat verschil tussen slagen en mislukken precies in zit is bij mijn weten weinig onderzocht. Maar of dat met de islam te maken heeft betwijfel ik. Moeten we de verklaring voor dat onaangepaste gedrag dan in een volstrekt verkeerde opvoeding zoeken of in het lage onderwijsniveau van de ouders? Of is het toch meer een kwestie van Marokkaanse, of beter Berberse, cultuur waar over mannelijkheid andere opvattingen bestaan dan in de Nederlandse?

Die vragen zijn zelden onderwerp van publiek debat. Liever wordt gediscussieerd over wat er mis is aan de islam. Die moslimjongens helpt dat niet, hun positie is nu al behoorlijk uitzichtloos en ze zullen zichzelf en anderen nog veel last bezorgen. Tenzij hun ouders er in slagen een huwelijk te arrangeren met een vrouw uit Marokko en hun leven in een rustiger vaarwater komt. Zo zou een op het eerste, en tweede, gezicht reactionaire plattelandsgewoonte toch nog een heilzame uitwerking kunnen hebben.

De integratie, kortom, zal met vallen en opstaan verlopen, maar hij is aan de gang en zal niet gauw meer ophouden. Allochtone jongeren en niet genoeg te prijzen buitenstaanders zijn druk aan de slag, zo laat Nekuee prachtig zien. Dat gaat ongericht en ongepland. Politici en beleidsmakers moeten zich daar ook niet te veel mee willen bemoeien. Laten die er maar voor zorgen dat het onderwijs, de rechtsorde, de openbare dienstverlening en de gezondheidszorg goed op orde zijn en voor iedereen gelijk toegankelijk. Maar laten ze beginnen het beroepsonderwijs zo te veranderen dat die rondzwervende Marokkaanse jongens zonder de huidige talige struikelblokken een fatsoenlijk vak kunnen leren en zo iets van hun leven kunnen maken als ze dat willen.

    • H. Schijf