Gevallen engel

DE COMBINATIE van Zweeds staal en Zwitserse precisie vormt op het eerste gezicht een oerdegelijke basis voor een succesvol industrieel conglomeraat. ABB, in 1987 ontstaan uit de fusie van het Zweedse Asea en het Zwitserse Brown Boveri, is een zwaargewicht in machinebouw, meetapparatuur, turbines, industriële robots en energiecentrales. Een wereldbedrijf op het gebied van engineering met 150.000 werknemers in honderd landen, een onderneming die niet handelt in lucht, maar robuuste kapitaalgoederen maakt. Een bedrijf dat bekendstaat als een schoolvoorbeeld van fatsoenlijk ondernemerschap in ontwikkelingslanden en geprezen wordt om zijn vernieuwingskracht in de opleidingen aan internationale business schools.

Niet langer. ABB is deze week compleet van zijn voetstuk gevallen. De koers van het aandeel is in ruim twee jaar met 95 procent gekelderd, ABB-obligaties worden voor 40 procent van hun uitgifteprijs verhandeld en de beurswaarde is van veertig miljard dollar ineengeschrompeld tot een schamele twee miljard dollar. Wanhopig probeert het management met ontslagen, bezuinigingen en herfinanciering van schulden een totale ineenstorting af te wenden.

Wat is er misgegaan bij het industriële conglomeraat, waarvan het hoofdkantoor in Zürich staat? Ook dit kan dienen als lesmateriaal voor de business schools. ABB groeide door overnames en daarmee werd het bedrijf onbestuurbaar. Het stak zich te diep in de schulden. Twee gevierde topmanagers bleken voor zichzelf schaamteloze pensioenregelingen te hebben getroffen, zonder deze openbaar te maken. Op het hoogtepunt van de hype over de `nieuwe economie' besloot ABB gedeeltelijk over te stappen van kapitaalgoederen, waar het sterk in was, naar internet, waarmee het geen ervaring had. Het werd een financieel fiasco. De grootaandeelhouders, de Zweedse Wallenberggroep en de Zwitserse bankier Martin Ebner, konden niet met elkaar overweg.

De grootste problemen ontstonden elders, in de Verenigde Staten. Daar had ABB in zijn begintijd (1990) een bedrijf gekocht dat industriële boilers maakte. Combustion Engineering was verwikkeld in een asbest-schadeclaim, maar de risico's hiervan leken overzichtelijk. Dat viel tegen. De Amerikaanse juridische industrie van schadeadvocaten heeft zich massaal op asbestclaims geworpen en in naam van echte en vermeende slachtoffers vele miljarden aan schadevergoedingen geëist van bedrijven die indertijd asbest in hun producten hebben verwerkt. Een jaar of wat geleden kwam het befaamde Lloyds of London, de herverzekeringsmarkt waar vermogende individuele Names met hun hele hebben en houden garant staan voor de uitbetaling van verzekeringsschades, hierdoor al in grote moeilijkheden. Nu dreigt het industrieconglomeraat ABB aan asbestclaims ten onder te gaan.

De wildgroei van Amerikaanse claims wordt gevoed door advocaten die speculatieve eisen indienen onder het motto `je weet maar nooit'. Ze paaien klanten met het uitzicht op een toekenning van aanzienlijke sommen geld. In de Amerikaanse juryrechtspraak worden vergoedingen niet alleen toegekend voor de geleden schade van het slachtoffer, maar ook als straf voor het betrokken bedrijf. Door deze inzet op punitive damage is het totale geclaimde bedrag in verband met asbestschade inmiddels opgelopen tot twee- à driehonderd miljard dollar.

Dat dergelijke eisen serieus moeten worden genomen, blijkt uit een recente juryuitspraak in een tabakszaak in de staat Californië. Daar kreeg een aan sigaretten verslaafde vrouw met kanker een bedrag van 26 miljard dollar toegewezen, te betalen door de tabaksfabrikant.

In het Amerikaanse Congres is wetgeving in voorbereiding om de excessen van de juridische claimcultuur te beteugelen. Maar de behandeling ervan schiet niet op en de aandacht ervoor is gering.

Ten onrechte. Het geval van ABB illustreert wat de verregaande gevolgen hiervan kunnen zijn. Het raakt ook de Amerikaanse economie als wereldwijd opererende industriële bedrijven, wat ook verder hun tekortkomingen mogen zijn, onder het gewicht van overspannen asbestclaims kunnen bezwijken.