EEN NIEUWE IMPULS

Op het vwo neemt de interesse voor tweetalig onderwijs sterk toe. De tweede taal is vrijwel altijd Engels, maar Frans kan natuurlijk ook. En in de buurt van de Duitse grens is `tweetalig Duits' het overwegen waard.

Dit najaar viert het Stedelijk Lyceum Zuid in Enschede dat het tien jaar geleden, als eerste school in Nederland, begon met tweetalig onderwijs. Tot de feestelijkheden behoorde ook een voordracht door de directeur van de British Council in Nederland, David Alderdice, met de prikkelende titel: Everybody should be raised bilingually because in 25 years' time Dutch will be a dead language. Op de vraag om opheldering verontschuldigt Alderdice zich onmiddellijk voor het feit dat hij in het Engels antwoord moet geven. Hij woont pas drie maanden in Nederland. ``I am learning Dutch, so it better not die'', lacht hij. ``Ze hebben in Enschede blijkbaar gevoel voor marketing. Het Nederlands sterft niet uit, dat idee is absurd.'' Maar, zegt hij ook, in onze contreien is de groei van het Engels als lingua franca niet te negeren. Waarmee hij maar zeggen wil dat iedereen er goed aan doet die taal te leren. Dat is ook de boodschap van de Nederlandse scholen die tweetalig onderwijs aanbieden.

De belangstelling voor tweetalig onderwijs, tto in het spraakgebruik, is groot en groeit. Dit schooljaar zijn tien nieuwe scholen ermee gestart en daarmee is het totale aantal op 45 gekomen. Bijna alle scholen kiezen voor Engels, één school, in Kerkrade, heeft een tweetalig Duitse vwo-afdeling. Frappant voorbeeld van de groei is Nieuwegein. Deze gemeente heeft drie scholen voor voortgezet onderwijs. Het Anna van Rijncollege heeft al een goedlopende tweetalige vwo-afdeling sinds 1996 en vreesde concurrentie toen bleek dat een tweede school, het Cals College, dit jaar óók met tweetalig onderwijs ging beginnen. Maar de school kreeg toch net zoveel brugklasleerlingen (drie groepen) als andere jaren en het Cals had meteen genoeg aanmeldingen om twee tto-brugklassen te kunnen vullen.

Leidt de vraag naar het groeiende aanbod, of is het andersom? Zeven jaar geleden noemde toenmalig columnist Kees le Pair in deze krant vooral de mogelijkheid om leerlingen te kunnen selecteren een positief aspect aan wat hij nadrukkelijk als een experiment wilde beschouwen. ``Ik ben niet onverdeeld enthousiast over het idee van een tweetalig vwo'', schreef hij in december 1995. ``Het is een proef op kinderen.'' Maar juist doordat dit `experiment' zou worden uitgevoerd met gemotiveerde en slimme kinderen, kon het volgens hem succesvol worden. Wel leek het hem een verstandig idee om het aantal scholen voorlopig tot tien beperkt te houden en hun bevindingen na pakweg tien jaar te evalueren.

Dat dit `beperkt houden' niet is gelukt heeft zeker te maken met het feit dat scholen via het aanbod van tto-leerlingen konden binnenhalen die elke school graag heeft. In de jaren tachtig en negentig waren veel havo/vwo-scholen enigszins in de verdrukking gekomen door fusies met veel grotere scholen voor beroepsonderwijs. Vooral openbare scholen hadden last van een terugloop van vwo-leerlingen. Zo ook het Anna van Rijncollege in Nieuwegein. ``We zochten naar manieren om het vwo een impuls te geven'', zegt Hans Eijsink, leraar Engels en tto-coördinator. ``Andere scholen profileerden zich met hoogbegaafdheid of sport.'' Er klinkt enige voldoening in zijn stem door als hij zegt dat `zijn' tto-afdeling de categoriale gymnasia in Utrecht waarschijnlijk een brugklas heeft gekost.

Marktpositie

Joost van Rijn, rector van de openbare scholengemeenschap Lek en Linge in Culemborg dat dit jaar is gestart met een tto-brugklas, noemt de suggestie dat tto een manier is om aan de poort te kunnen selecteren veel te kort door de bocht. ``Het vwo op onze school staat er prima voor. Maar je móet als school tegenwoordig je marktpositie bewaken en nadenken over manieren waarop je de continuïteit van je afdelingen kunt waarborgen.'' Behalve de blik naar buiten-ambitie' noemt hij nog een andere reden om met tto te beginnen. ``Een school moet zijn docentencorps gemotiveerd houden. Het opzetten van tto is een nieuwe uitdaging. Er gaat een enorme impuls van uit, ook naar tweedegraads docenten die minder groeimogelijkheden hebben binnen een school.''

Blijft de vraag: wat heeft tien jaar tto opgeleverd? Een eerste evaluatie is gedaan door taalkundige Ineke Huijbregste. Zij promoveerde vorig jaar op het proefschrift `Effecten en didactiek van tweetalig voortgezet onderwijs in Nederland'. Kort samengevat komt uit haar onderzoek naar voren dat de effecten positief zijn, maar dat het met de didactiek een beetje tegenvalt. Op alle fronten spreekvaardigheid, woordenschat, leesvaardigheid en iets minder op schrijfvaardigheid scoren de tto-leerlingen beter dan hun reguliere schoolgenoten. Huijbregste ziet tegelijkertijd wel onvolkomenheden bij de docenten. Hun kennis van het Engels is zeker niet altijd optimaal, maar bovendien zijn ze nu eenmaal aangesteld om de leerlingen geschiedenis, aardrijkskunde of biologie bij te brengen. Huijbregste constateerde bijvoorbeeld dat de docenten in de eerste klassen nog wel fouten in het Engels corrigeren, maar daarna nauwelijks meer. De vraag is of je dat mag verlangen. In Nederlandse lessen aardrijkskunde of geschiedenis gebeurt het net zo min dat leerlingen op hun taalgebruik worden gewezen. Maar Huijbregste zegt in haar proefschrift wel dat de resultaten bij het Engels nog veel beter zou kunnen worden als er aan de docenten hogere eisen worden gesteld. Daarom zijn die binnen het netwerk van tto-scholen inmiddels aangescherpt.

Voorbeelden

De praktijk op het Anna van Rijncollege bevestigt de conclusies van Huijbregtse. In een tweede klas tekenen moeten de leerlingen een opdracht maken waarbij de oppervlaktestructuur van het voorbeeld dat ze kiezen, het uitgangspunt vormt. Eerst wil de lerares dat de kinderen voorbeelden noemen en proberen uit te leggen wat er specifiek is aan hoe een baksteen voelt, of een boomblad. Daar hebben de tweedeklassers moeite mee, maar met veel creativiteit weet ze de moeilijke begrippen te parafraseren en door steeds in andere bewoordingen dezelfde vragen te stellen, krijgt ze de antwoorden die ze horen wil. En passant verbetert ze het soms nog onbeholpen Engels van de leerlingen door hun antwoorden hardop, in complete correcte zinnen, te herhalen.

Maar deze lerares is een native speaker, haar Engels is perfect en klinkt zo `echt', dat het volkomen vanzelfsprekend is dat er het hele uur geen woord Nederlands valt. Het is een niveau waaraan de Nederlandse leraren die in het Engels lesgeven, hoe goed en enthousiast ze ook zijn, niet kunnen tippen. Helaas is het voor Nederlandse scholen lastig om aan die native speakers te komen.

Dat de tto-leerlingen ondanks die handicap toch goed scoren op het Engels, komt natuurlijk vooral ook door hun eigen capaciteiten, waarop ze immers geselecteerd zijn. En dat is ook de kanttekening die te maken is bij de conclusies van het onderzoek van Huijbregtse. Zo is het Engels van de 6 vwo-leerlingen op het Anna van Rijncollege, die discussiëren over de vertellende kracht van Hemingway's A farewell to arms heel goed, maar indrukwekkender is eigenlijk het inhoudelijke niveau van de discussie. Dit versterkt het beeld van de ambitie van de tto-afdeling van deze school om hoog gekwalificeerde leerlingen aan de internationale markt af te leveren. Dat geeft overigens wel voeding aan de kritiek die af en toe klinkt op het tweetalige onderwijs, namelijk dat het meewerkt aan de ontwikkeling van een Engelstalige culturele bovenlaag, die zich niet meer verbonden voelt met de rest van de samenleving.

Deze kritiek krijgt steun van didactici in de vreemdetaalverwerving, die vanuit hun vakkennis het tweetalig onderwijs juist een warm hart toedragen. Volgens prof.dr. G.J. Westhoff, hoogleraar vakdidactiek moderne talen in Utrecht, is `immersion' oftewel onderdompeling de meest effectieve manier om een vreemde taal te leren. Ook de kunstmatig gecreëerde onderdompeling voldoet aan een aantal kenmerken die voor het leren van een taal gunstig zijn: het is een levensechte omgeving, de taal wordt aangeleerd via een bezigheid die op zichzelf ook informatief en interessant is en het gebeurt in het kader van een functionele taak, bijvoorbeeld het maken van een proefwerk biologie of het houden van een spreekbeurt voor aardrijkskunde. Westhoff hoopt daarom dat de scholen niet blijven steken bij de focus op het Engels. Westhoff: ``Engels komt toch al op allerlei manieren tot ons. Pas als je tweetalig Frans of Duits gaat geven op de scholen, kun je echt zien hoeveel effect dat heeft.''

Bovendien is er volgens Westhoff alle reden om het tweetalig onderwijs uit te breiden naar zelfs vmbo-niveau. ``Die topkinderen leren het toch wel'', zegt hij. ``En juist voor de minder bedeelde kinderen is onze analytische manier van vreemde talen leren dodelijk.'' Prof.dr. J. Hulstijn, hoogleraar tweedetaalverwerving in Amsterdam, voegt daaraan toe: ``Een taal leren is geen kwestie van intelligentie, dat kun je op de mavo ook. Natuurlijk zijn er verschillen in woordenschat en komt de een verder dan de ander. Maar als iemand `hij hep' zegt in plaats van `hij heeft', dan zegt dat slechts iets over wat hij heeft horen voordoen.''

Duits

Nederland staart zich te veel blind op het Engels, vinden beide hoogleraren. De paradox is: naarmate je opleidingsniveau lager is, heb je minder aan Engels. Tweetalig Duits is volgens Hulstijn ook goed te realiseren langs de grens met Duitsland en zou daardoor voor lager opgeleiden veel nieuwe werkmogelijkheden opleveren. Westhoff vindt bovendien dat het lang niet alleen gaat om de beroepsoriëntatie. ``Door de focus op de internationale wetenschaps- en zakenwereld vergeten we dat je met meertaligheid ook de kwaliteit van het leven van alledag kunt vergroten.'' `Gewone' mensen, zegt hij, reizen ook, al is het niet de hele wereld over. ``Ze gaan op vakantie naar Frankrijk of reserveren bij een Duits reisbureau een huisje van Center Parcs. Of denk aan de tragische brand in Volendam. Veel van die kinderen lagen wekenlang in ziekenhuizen in Duitsland en Franstalig België, hun ouders verbleven er in gastgezinnen. Hoe goed konden ze daar met Engels terecht?''

    • Marlies Hagers