Domme student 2

In W&O van 19 oktober poneert columnist Piet Borst de stelling dat steeds meer `domme studenten' het tertiair onderwijs bevolken en dat met de integratie van het wo met het hbo in één tertiair onderwijssysteem dit alleen maar erger wordt. De maatschappij heeft al genoeg `hoogbegaafde mislukkelingen' en `aardige succesvolle steunpilaren met een bescheiden IQ'. Borsts pleidooi bevat veel vooroordelen over (tertiair) onderwijs, intelligentie en maatschappelijke ontwikkelingen.

Eerste vooroordeel: `Het leeuwendeel van de groei van het aantal studenten is voortgekomen uit de toelating van minder begaafde studenten.' Borst miskent daarmee dat zich in de samenleving en daarmee ook in het hoger onderwijs een emancipatieproces heeft voltrokken, waardoor meer vrouwen, meer allochtonen en in het algemeen meer scholieren uit bredere sociale lagen van de bevolking tegenwoordig deelnemen aan het hoger onderwijs. Daarmee is veel verborgen talent aangeboord.

Tweede vooroordeel: `Ook studenten met een IQ van 100 of minder kloppen straks aan de poort en moeten worden toegelaten tot een vorm van tertiair onderwijs.' De hoogte van het IQ is nooit een maatstaf geweest voor toelating, maar wel het landelijk geijkt eindexamen havo respectievelijk vwo, waarin een gewogen gemiddelde van Cito-toetsuitkomsten en schoolonderzoekresultaten de geschiktheid voor een vervolgopleiding bepalen. Deze cijfers geven een betrouwbaarder oordeel over iemands geschiktheid dan een IQ-getal ooit kan zijn.

Derde vooroordeel: `Intelligentie is aangeboren.' Om zomaar de hele discussie over de aard van intelligentie, over `nature or nurture', te negeren getuigt van een bevoordeelde instelling. Bovendien is intelligentie maar één van de factoren, naast motivatie en doorzettingsvermogen, die iemands geschiktheid voor een opleiding bepalen.

Vierde vooroordeel: `Ook voor de domoor moet er een aardig diploma te halen zijn, maar dat moet dan gebeuren in een goedkope, efficiënte, schoolse studie.' Borst doelt hiermee op de hbo-variant in het geïntegreerde tertiair onderwijs. Hier geeft hij er blijk van het hoger beroepsonderwijs slecht te kennen en neer te zien op het praktijkgeoriënteerde hoger onderwijs. Overigens blijken in de maatschappij wo'ers en hbo'ers even gewild te zijn.

Vijfde vooroordeel: `Half Nederland studeerde toen (in de jaren zeventig) andragogie in Amsterdam en die studie stelde niet veel voor, evenmin als die andere insectenplaag nu, de studie communicatiewetenschappen.' In de ogen van een bèta-wetenschapper als Borst stellen gamma-wetenschappen en `modieuze studies' als andragogie en communicatiewetenschap weinig voor. Sociale wetenschappen reageren nu eenmaal op maatschappelijke ontwikkelingen en communicatie de media, internet is tegenwoordig zo'n belangrijke maatschappelijke factor geworden, dat een wetenschappelijke studie van dit fenomeen terecht in het hoger onderwijs is opgenomen.

    • Dr. W.M. van Woerden