De dood in leefgebied 7

Edelhert, onvolwassen mannetje. Onder zijn neus is een beetje bloed op de grond gedropen. Hij hangt daar met gespreide achterpoten en een opengespleten buik. De vacht zit er nog omheen, de ingewanden zijn verwijderd. Zo maakt de dood een propere, haast klinische indruk.

In de borstkas kun je mooi zien hoe hij geschoten is. Aan de ene kant heeft de kogel tussen de ribben niet meer dan een scheurtje veroorzaakt, aan de andere kant toch wel zoiets als een krater geslagen. ,,Goed schot?'', vraag ik. ,,Goed schot'', bevestigt Jan Potkamp. ,,Je richt op het schouderblad, links of rechts, dat maakt niet uit. Het hart spat uit elkaar, het dier is op slag dood.'' ,,Toch zie je ze dan nog wegspringen.'' ,,Dat is omdat hij nog niet wéét dat hij dood is. Als je dat wilt voorkomen, moet je het schot wat hoger plaatsen, zodat je de ruggenwervel meeneemt. Dan stort hij meteen ter aarde – een schot voor gevorderden.'' ,,En met everzwijnen gaat dat precies zo?'' ,,Met everzwijnen gaat dat precies zo!''

Zwijnen overspoelen de Veluwe. Laatst stond er weer zoiets in Grasduinen. Een deskundige legt dan uit dat de zwijnenstand als gevolg van vijf opeenvolgende goede mastjaren (jaren met veel eikels en beukennootjes) zorgwekkend is toegenomen en de draagkracht van de Veluwe inmiddels verre dreigt te overstijgen. De bedoeling is niet dat je denkt dat het goed gaat met het everzwijn, maar dat we een probleem hebben.

Vooral het begrip draagkracht is in dit verband van een bijna onweerstaanbare schoonheid. Het suggereert een volmaakte neutraliteit, het suggereert zelfs dat het in het belang van het everzwijn zelf is om te worden afgeschoten, dat hij eigenlijk van dánkbaarheid op zijn knieën zakt als zijn schouderblad in het vizier wordt genomen.

Draagkracht is een pareltje van jagerslatijn. Dat dacht ik al en het werd bevestigd door een gesprek met Jan Potkamp, coördinator faunabeheer, en Walter de Wit,

beheerder van het Nationaal Park Veluwezoom, beiden werkzaam bij Natuurmonumenten. Nu kan iedereen die zich in dit terrein begeeft zien dat het danig door everzwijnen wordt bewerkt. ,,Vooral langs de fietspaden'', zei De Wit. ,,Het regenwater stroomt aan weerszijden van het asfalt en dat maakt de bodem vochtiger dan ergens anders; dáár vinden ze wormen en emelten.''

Maar er zijn daarnaast ook hele stukken bos die zo grondig worden omgewoeld dat het wel lijkt of er een regiment dagloners aan het spitten is geweest. ,,Vooral in de nawinter'', zei De Wit. ,,Als ze honger krijgen, beginnen ze aan de wortels van varens en dergelijke. In de loop van de zomer groeien die stukken bos gewoon weer dicht.''

,,Wij zijn daar juist blij mee'', zei Potkamp. ,,Ze wroeten schoon zand op en daarop kunnen dan weer plantjes ontkiemen.'' ,,Als zo'n beest'', zei De Wit, ,,een stobbe van wel een meter diep uitgraaft, omdat hij daaronder een muizennest of een stel keverlarven ruikt – prachtig toch?''

,,Ja'', zei hij, ,,voorheen, in de bosbouw, als je dennen had geplant – die liepen ze dan na, die groeven ze uit, dan had je schade. Maar wij hebben geen productiedoelstellingen meer.''

,,Is er natuurlijke sterfte onder zwijnen?'', vroeg ik. ,,Nauwelijks'', antwoordde De Wit. ,,Ze krijgen de kans niet. Als er sterfte was, zou je zeggen: dat is een signaal uit de natuur zelf. Dát maken we gewoon niet mee.''

Natuurmonumenten is aangesloten bij de Vereniging Wildbeheer Zuidoost-Veluwe. In dit gremium worden de aantallen vastgesteld voor afschot. ,,We zitten daar met allemaal jagers'', zei De Wit. ,,Wij zijn daar de enigen die geen belang hebben bij het schieten op zich.''

,,Waarom blijf je daar dan lid van?'', vroeg ik, en toen haalde hij zijn schouders op. Kennelijk meer uit overwegingen van goed nabuurschap, met al die grondeigenaren die wel belang hebben bij het schieten op zich, dan uit overtuiging.

,,Jullie jagen toch ook niet meer op vossen en reeën'', hield ik aan.,,Nee'', zei De Wit, ,,en dat bevalt prima.''

Jachttechnisch valt het Nationaal Park Veluwezoom onder leefgebied 7, dat de hele streek tussen A50 en Apeldoorns kanaal omvat. In het voorjaar worden everzwijnen naar voederplaatsen gelokt en geteld. Dit keer waren het er 800, dubbel zoveel als normaal. En het mogen er 180 zijn.

,,Waarom precies 180?''

,,Geen idee'', zei De Wit. ,,Het schijnt een oude Duitse norm te zijn, één of twee zwijnen per hectare.''

De Deutsche Industrie-Norm voor zwijnen! Dus moesten er ruim 600 dieren worden afgeschoten, waarvan 262 op de terreinen van Natuurmonumenten. Dat gebeurt in de herfst. En zo gaat dat elk jaar weer. Structureel kán het everzwijn zich bijna niet uitbreiden. Als er sprake is van een hoge voorjaarsstand, is dat telkens weer het resultaat van één mastrijk najaar, gevolgd door één zachte winter.

,,Ik ben niet tegen afschot'', zei De Wit. Hij zou alleen wel eens een andere norm willen, meer natuur, minder ingrijpen, de grenzen een beetje oprekken. Al was het maar vanwege de kosten. ,,Wij hebben het er knap druk mee. Ik heb vijf man die er drie maanden lang vrijwel continu mee bezig zijn.''

,,Dan moet je díé door de poelier laten betalen'', zei ik. Maar met de poelier worden geen zaken meer gedaan. Geschoten dieren worden verwerkt in de eigen slachtruimte en verkocht aan particulieren. Of ze worden, meer en meer, als kadaver achtergelaten in het terrein. Dode dieren in het veld.

,,Daar zullen de mensen aan moeten wennen'', zei De Wit. ,,Dood hout, dat kennen ze nu wel, dat accepteren ze ...''

,,... maar de dood gaat natuurlijk een stuk verder'', vulde Potkamp aan, en hij is het die me een paar dagen later meeneemt om een en ander nog wat aanschouwelijker te maken. Na inspectie van de slachtruimte, dat hangende edelhert, rijden we met zijn 4WD het Nationaal Park in. Hoe makkelijk zo'n auto, zelfs met een gezapig gangetje, de wandel- en fietsroutes die in mijn beleving teder voor een hele dag staan met elkaar verbindt!

Potkamp wijst de plekken waar je, vroeg in de ochtend, laat op de dag, varkens kunt verwachten, en de takken die hij overeind heeft gezet om dekking te hebben, en het paadje dat hij heeft schoongeveegd om een rotte te kunnen besluipen. De verleidingen van het schieten hoeft hij me niet te verklaren; ik ben soldaat geweest, ik heb geschoten. Een rotte – een zeug met twee overlopers, biggen van vorig jaar, en pakweg vijf biggen van dit jaar. ,,En dan kies je degene die het slechtst in conditie is'', opper ik.

,,Onbegonnen werk'', zegt Potkamp. ,,Nee, je kiest degene die je het veiligst kunt schieten. Ergens richting Terlet weet hij een dood zwijn te liggen: een doorweekte zwarte lap in de hei – het regent inmiddels dat het giet. Grappig: de hoefjes blijven het langst gaaf. Het kadaver is een paar meter versleept en dat kunnen de maden niet gedaan hebben, en de raven en de buizerds ook niet, dat moet een vos zijn geweest of een ander everzwijn.

Als je de huid omdraait, rollen er een paar botjes uit. In het restant van de ribbenkast staat een laagje roze water. Acht dagen geleden geschoten en al helemaal leeggevreten. Op een of andere manier maakt dit dode zwijn al bijna net zo'n propere indruk als dat dode edelhert van hiervoor. ,,En'', vraagt Potkamp, ,,wat vind jíj er nou van?''

Zo gaat dat. Je vraagt mensen naar hun mening, hun ervaringen en dan worden zij nieuwsgierig naar de jouwe.

Ik vind dat je everzwijnen (of Schotse Hooglanders bijvoorbeeld) niet kunt laten creperen van de honger. Ik vind dat je dergelijke dieren niet mag opofferen aan onze illusies van echte natuur. Ik vind wel dat ze natuurlijker geschoten moeten worden, niet met het oog van de plezierjager, maar met dat van een roofdier. En ik vind dat mensen die levende everzwijnen willen, niet te benauwd moeten zijn voor dode.

Even de tanden op elkaar. Het went, natuurlijk went het.

    • Koos van Zomeren