De cultuur van het uitroepteken

In de mooie documentaire De ramp, gemaakt ter gelegenheid van het komende herdenkingsjaar, vertelt een klein aantal ooggetuigen over de Zeeuwse watersnoodramp van 1953. Het zijn schrijnende getuigenissen, want hoe ogenschijnlijk rimpelloos hun tegenwoordige bestaan ook is, in hun hoofden spoken nog altijd de verschrikkingen van het water. Maar aanvankelijk zie je daar bijna niets van: de mannen en vrouwen vertellen zonder enig dramatisch gevoel over wat hen is overkomen. Prozaïsche details (,,En hij zegt: mijn koffiebussen zijn van de kar gewaaid'') en gruwelijke mededelingen (,,Ze hebben mijn vader nooit meer gevonden'') wisselen elkaar af op diezelfde gelijkmoedige toon, waarin hoogstens iets van verbazing doorklinkt. Het water spuit door de sleutelgaten, huizen storten in, een buurvrouw en haar baby verdrinken voor de ogen van een kind, familieleden verdwijnen spoorloos; het wordt verteld met een eigenaardige mengeling van verbluftheid en berusting.

The past is another country.

Het is vooral zo'n vreemde gewaarwording, omdat je mist wat je tegenwoordig meteen in je gezicht geduwd zou krijgen: de emotie. In De Ramp barst niemand in snikken uit, er klinken geen onmachtige uitroepen, de hoge toon ontbreekt, het leed wordt nauwelijks benoemd en, opvallend, er worden geen beschuldigende vingers naar de overheid uitgestoken. Degenen die de ramp overleefden werden indertijd niet voor de camera gesleept om hun gruwelverhaal te vertellen. De getuigen zijn niet in staat om hun ervaringen te dramatiseren, ze gebruiken geen grote woorden om hun gevoelens te vertalen. Ze zijn overdonderd door iets dat veel groter is dan zijzelf, en ze kunnen er alleen over praten vanuit hun alledaagse belevingswereld, in alledaagse bewoordingen. Hun leed is naar binnen geslagen. Slechts één oudere vrouw dacht tijdens de ramp onderdeel te zijn van een alomvattend drama; terwijl het water steeg leefde ze even in de overtuiging dat de tweede Zondvloed gekomen was.

Er wordt weer heftig terugverlangd naar dat Nederland van vijftig jaar geleden: overzichtelijk, geworteld, bijeengehouden door gebeitelde normen, rotsvaste waarden. Een overheid die weer op vanzelfsprekende wijze de lakens uitdeelt, een gemeenschap waarin men over elkaar waakt, zonder elkaar al te dicht op de huid te zitten. En daaronder: het verlangen naar een geruststellende monocultuur, onaangetast door wezensvreemde elementen, de zegeningen van een beperkt blikveld. Er is de afgelopen maanden veel gebeurd in Nederland, maar het meest verbazingwekkende is wel hoe snel en hoe verbeten dit land in zichzelf gekeerd is; in Polen raken ze er niet over uitgepraat. En nu wij! De obsessie met asielzoekers, de angst overspoeld te worden, het totale gebrek aan belangstelling voor buitenlandse aangelegenheden, de paniek over het verwilderde publieke domein, de dolgedraaide discussie over fatsoen, er spreekt een claustrofobisch onbehagen uit. De geest moet weer in de fles, maar hoe doe je dat in godsnaam?

Als je naar de vertellende Zeeuwen in De ramp kijkt, besef je pas goed de onmogelijkheid van het verlangen om van Nederland weer een overzichtelijke dorpscultuur te maken. Want kun je de documentaire zien als het beeld van een kleine, op zichzelf betrokken wereld die plotseling wordt geconfronteerd met een ramp die het bevattingsvermogen te boven gaat, tegenwoordig gaat het om precies het tegenovergestelde: een vlucht uit een grote, boze wereld naar een ordelijk en overzichtelijk Nederland, dat zijn onschuld moet herwinnen.

Maar onschuld valt niet te organiseren. Je kunt je eindeloos wentelen in nostalgie, je kunt Pipo en Swiebertje weer uit de mottenballen halen, duizend keer The Sound of Music opvoeren, de christelijke politiek afstoffen en de man die het meest de jaren vijftig uitstraalt tot premier maken, maar het verleden is voorgoed onbereikbaar geworden.

Want het verlangen naar die geruststellende overzichtelijkheid is zelf geïnfecteerd door een valse retoriek die onmiskenbaar uit de grote, versnipperde wereld afkomstig is. Vijftig jaar emancipatie en bewustwording heeft tot resultaat dat juist de man die oproept tot herstel van normen en waarden, tegelijk een typisch voorbeeld is van de Nederlander die zich niets meer laat vertellen. Het debacle van de nieuwe politiek is het pijnlijkste voorbeeld van dat gespleten zelfbeeld; juist de beweging die Nederland weer tot een hechte en overzichtelijke gemeenschap wilde maken, heeft het land in een staat van politieke ontreddering gebracht. Hoe kan dat? Het is onzin om dat te wijten aan de onervarenheid, want die was juist een voorwaarde van de vernieuwing, of zelfs aan de moord op Fortuyn. In de persoon van Fortuyn waren dezelfde tegenstrijdige elementen aanwezig: het narcisme van de oneindige zelfontplooiing en zelfvergroting, en het oprechte verlangen naar een hersteld verband voor de samenleving, waarin het individu zich uit vrije wil ondergeschikt weet te maken aan de belangen van de gemeenschap. De partij die hij bijeen heeft gesprokkeld, weerspiegelt die gespletenheid volmaakt; ze was daar ongetwijfeld ook met hem aan ten onder gegaan. Maar de Fortuynadepten kunnen tot in het oneindige volhouden dat ze door anderen gedwarsboomd zijn, en niet door zichzelf, want het is onmogelijk voor hen de kloof tussen hun verheven doelstellingen en de abjectheid van hun gedrag onder ogen te zien. Net zo is het onzinnig om te beweren dat Fortuyns partij door haar wangedrag anderhalf miljoen kiezers in de kou heeft laten staan. Die kiezers zijn net zo gespleten als de partij en haar vermoorde leider.

Anders dan bij de getroffen Zeeuwen in De ramp slaat het drama in Nederland nu naar buiten, het liefst voor het oog van tientallen camera's. Wie gemaakt wordt door de media, kan in aanwezigheid van diezelfde media beweren dat ze hem kapot maken. Er is geen gebrek aan grote woorden. Puinhopen, aftakelingsproces, ondergang, verweesdheid en verwording, wanbeleid, malaise, Hitler, Stalin, bananenrepubliek, het is de verslavende taal van de grote wereld, woorden waar je zelf ook een beetje groter door wordt, als je ze maar vaak genoeg gebruikt. In het kielzog van Fortuyn zijn beschouwers opgestaan die zwelgen in de retoriek van het uitroepteken. Allemaal voor een betere wereld. Zelden is het algemeen belang met zoveel egomanie nagestreefd.

En zo drijft de utopie van een hersteld Nederland waarin nuchterheid, precisie en terughoudendheid overheersen, almaar verder weg. Zolang die gespletenheid niet onder ogen wordt gezien, leidt iedere poging tot vernieuwing of verandering tot een schertsvertoning. Sentimentaliteit en agressie, Jung zei het, zijn twee kanten van dezelfde medaille. Die medaille heet Nederland.