Zonder de geringste schurkenstreek

In het laatste hoofdstuk van Timmerwerk heeft Joris Note het terloops over `mijn vaders eeuw'. Een vergelijking die in de hoofdstukken daarvoor ook al af en toe gemaakt kon worden, dringt zich dan alsnog sterk op. Is Timmerwerk te beschouwen als een Vlaamse aanvulling op De eeuw van mijn vader van Geert Mak? Zoals Mak aan de hand van zijn familiegeschiedenis een beeld gaf van het 20ste-eeuwe Nederland, zo laat Note zijn licht schijnen over episoden uit de 20ste-eeuwse Vlaamse historie, voorzover ze direct of indirect verband houden met de levensfeiten van zijn vader Julien (1906-1996). Het verschil in aanpak is groot. Mak is uit op brede verbanden, op afronding, op een smeuïg doorlopend verhaal met kop en staart, oorzaak en gevolg, met grote thema's als de twee wereldoorlogen, Indië, de politionele acties, de Reformatie, de verzuiling, de Koude Oorlog, de jaren zestig. De aanpak van Note is bescheidener, eclectischer, fragmentarischer en zijn boek laat dan ook veel minder een afgeronde geschiedenis zien. Hij vergt meer van het inlevings- en associatievermogen van zijn lezers en heeft in stilistisch opzicht veel meer te bieden dan Mak. Zijn benadering van zijn vader – moeder, broers en zussen komen alleen terloops aan de orde – is literair en niet historisch of sociologisch. Hij neemt als het ware puncties uit de familiegeschiedenis van vaderskant.

Note's vader was een eenvoudige man uit een ongeletterd, West-Vlaams gezin. Geen intellectueel dus, zoals vader Mak, al wilde vader Note op zijn manier wel vooruit komen. Je zou kunnen zeggen dat Joris Note door studie en literaire loopbaan het sociale milieu van zijn vader royaal achter zich heeft gelaten, maar het is duidelijk dat hij zich er niet boven verheven voelt. Integendeel, hij stelt er juist het grootste belang in. Op licht provocerende en ironische toon deelt Note aan zijn lezers (`waarde goegemeente') mee dat hij niet is geïnteresseerd in graancirkels, ufo's of in de achtergronden van de moord op Kennedy. Ook de ontraadseling van de aanslagen van de Bende van Nijvel zal hem een zorg zijn. Met des te meer inzet graaft en grasduint hij in de ogenschijnlijk onbeduidende paperassen die zijn vader hem naliet. Zo vraagt hij zich af wat zijn grootmoeder Leonie op 2 juni 1895 dreef toen zij, aan de vooravond van haar huwelijk, met bibberige hand een paar regels overschreef van een somber gebed.

Houtsnijden

Op een zelfde, enigszins blikvernauwende manier kijkt hij terug op de eeuw van zijn vader. Van die eeuw belicht hij vooral de drie zaken die zijn vader bezig hielden: het katholicisme, het Vlaams nationalisme en de positie van de gewone man. Omdat Julien geen vakbondsman was, geen mens voor het verenigingsleven of een partijlidmaatschap, beperkt zoon Joris zich tot het beschrijven van wat zich in zijn vaders naaste omgeving voordeed: welke krant las hij, naar welke scholen stuurde hij zijn kinderen, op wie stemde hij, naar welke spraakmakende lokale priester liet hij zijn oor hangen? Een haantje de voorste was Julien Note niet. Hij ging zijn bescheiden gang. Werd nog wel even gemobiliseerd, maar speelde een te verwaarlozen rol in de Tweede Wereldoorlog. Deed zijn plicht. Was zeer vroom. Had soms moeite met taal, maar was dol op spreekwoorden. Rookte af en toe een sigaartje. Dronk wel eens een glaasje wijn. Geen bier. Ging niet `op café'. Had weinig vrienden. Tapte geen schuine moppen. Viel nooit te betrappen op een vettige lach. `Hij was braaf', schrijft zijn zoon. En hij voegt er wat defensief aan toe: `Wie alleen in stoute jongens geïnteresseerd is, moet dit boek niet lezen.'

Vader Note had zich ooit op de vakschool `met grote onderscheiding' bekwaamd in houtsnijden, maar zou niet lang als timmerman werkzaam zijn. De titel, Timmerwerk, is dus enigszins misleidend. Tweeënveertig jaar lang, Note meldt het met ontzag, had hij een heel ander beroep. Hij werkte als beambte bij de douane, in dorpen als Loenhout, Brecht en Lokeren. Langzaam kroop hij op in de strenge douanehiërarchie door steeds bij te leren en examens af te leggen, vaak met moeite. Hij was ijverig en plichtsgetrouw en kreeg bij beoordelingen altijd hoge cijfers voor vlijt en gedrag. Maar volgens zijn zoon lag zijn hart niet bij de overheid. Na zijn pensionering ging hij weer timmeren, nu voor familie en kennissen, of hij schreef brieven over de in zijn ogen te lage pensioenuitkering.

Ook tijdens zijn dienstverband schreef hij wel eens een brief. Royaal citeert Note uit de uiterst formele, maar kribbig getoonzette en daardoor nogal komische verweerschriften die zijn vader opstelde tegen de in zijn ogen onterechte administratieve berispingen die hij in de loop der jaren kreeg. Het zijn er vier in totaal, een bescheiden score in tweeënveertig dienstjaren. Hij kwam een keer twintig minuten te laat, maar dat waren er volgens hem maar tien. Hij was ooit ziek zonder zich tijdig af te melden, maar ook die berisping berustte volgens hem op een misverstand. Eén keer werd hij tijdens een dienst door een kennelijk klikgrage collega gesignaleerd in een `karrekot', een schuurtje voor boerenkarren. Maar naar eigen zeggen was hij daar niet ter ontspanning, maar hield hij zich er schuil voor de felle zon, intussen strak het oog houdend op potentiële smokkelaars. Ook versliep hij zich een keer, zoals hij voor de verandering ruiterlijk toegaf, al voegde hij er meteen aan toe dat dit volgens hem het gevolg was van de onregelmatige diensten en dus welbeschouwd toch ook weer niet zijn eigen schuld. Een zekere ambtenaarlijke pietluttigheid is vader Note dus niet vreemd. Ook op andere plaatsen valt hij, tussen de regels door, wel op enige korzeligheid te betrappen.

Fatsoen

Verder valt het nog niet mee om uit Timmerwerk een helder of ook maar enigszins compleet karakterbeeld te destilleren. Dat heeft te maken met de structuur van het boek. Het bestaat uit verschillende tekstsoorten: ontroerende dialogen met de hoogbejaarde vader worden afgewisseld met puntige beschouwingen over uiteenlopende onderwerpen, jeugdherinneringen met beschrijvingen van de reisjes die Note maakte naar plaatsen waar zijn vader ooit woonde, zoals Brugge, Gent, Antwerpen en Lokeren. Erg boeiend of onderhoudend zijn deze stadswandelingen niet. Ze hebben iets mompeligs en ingekeerds over zich, alsof het wel vanzelf spreekt dat hij zijn blik op dit huis of dat gebouw richt. In het algemeen had Note wel wat meer rekening mogen houden met de lezer van buiten de familie. Sommige gebeurtenissen en feiten worden `van naaldje tot draadje' uitgelegd. Maar andere blijven juist merkwaardig onderbelicht. Mogelijk ontbraken hem de gegevens. Of hij liet ze weg uit discretie, omdat vader zelf ook geen behoefte had aan `opdelving en uitstalling'. Hadden vader en moeder Note een goed huwelijk? Kennelijk niet iets dat wij mogen weten. Mysterieus blijft ook waarom vader het timmerwerk ooit verruilde voor de slechter betalende douane met zijn gehate hiërarchie.

Wat het boek uiteindelijk toch innemend maakt is de overweldigende, maar o zo ingehouden geformuleerde vaderliefde die er, bladzij na bladzij, uit spreekt. Het is ontroerend om te zien hoeveel moeite Note doet om zijn lieve vader ongeschonden te bewaren voor de eeuwigheid. `Ik vind geen kwaad in deze man', noteert hij op het eind, met twee veelzeggende witregels eromheen. Het klinkt alsof hij dit quasi-objectieve oordeel alleen na ampele bestudering van het dossier heeft kunnen vellen. Hij heeft natuurlijk wel gelijk: in het rustig voortkabbelende, plichtsgetrouwe leven van vader Note, waarvan wij glimpen mogen opvangen, valt niet de geringste schurkenstreek te ontdekken.

In de fragmentarische levensbeschrijving van zijn vader eert Joris Note de gewone man, de rechtschapen antirevolutionair met zijn `overschot aan fatsoen' en zijn `gebrek aan lawaai en vertoon'. Een man die ieder zijn deel gunt, zolang hij zelf maar met rust wordt gelaten. Wie hem te na komt, laat hij soms even zijn tanden zien. Dit beeld zal mij vermoedelijk bijblijven van Timmerwerk: een standvastige, brave burgerman die zijn sluimerende gevoel van miskenning af en toe botviert in kleine achterhoedegevechten met de autoriteiten.

Joris Note: Timmerwerk. De Bezige Bij. 288 blz. €20,–

    • Janet Luis