Wolf in de regen

ZÜRICH. Op een heuvel boven Zürich ligt James Joyce begraven.

Ik neem de tram. Het is echt begraafplaatsenweer, regen, laaghangende wolken, de Alpen zijn niet te zien. Er is weinig te zien.

Hoe dichter we bij James Joyce komen, hoe leger de tram wordt. Men spreekt over een vroege winter, sneeuw zelfs.

Ik ben niet gekleed op dit weer. Toen ik mijn woonplaats verliet was het nog 28 graden, de ventilator stond aan. Ik ben vergeten hem uit te zetten.

De begraafplaats lijkt een park. Weelderig, dat is het woord. Een floriade.

Bij de ingang staat een bord waarop is aangegeven hoe men het graf van Joyce kan vinden. Het ziet er niet uit als een lange wandeling, een minuut of vijf.

Gelukkig heeft een receptioniste van het hotel me een paraplu gegeven, terwijl ze me bezorgd aankeek. ,,De nachten zijn al aardig koud'', had ze gezegd.

De dagen lijken op de nachten.

Het hek wordt moeizaam geopend, ik ben de enige bezoeker deze namiddag.

Grind, waarom gaan begraafplaatsen altijd gepaard met grind? Asfalt loopt veel makkelijker.

Het graf is voorzien van een klein, beschaafd standbeeld, alsmede het bord: `Niet op het graf gaan staan a.u.b.'

Ik heb één boek van Joyce gelezen, ik ben niet wat je noemt een `fan', hoewel ik `aanhanger' eigenlijk een beter woord beter vind. Nog beter: patiënt. Ik ben een patiënt van Rimbaud. Zo zou je het moeten zeggen.

Ik sta stil, want ik kan niet verder, het doel van mijn toeristisch uitstapje is bereikt.

Naast Joyce ligt Elias Canetti en daarnaast zijn nog een paar plaatsen vrij.

Het was misschien aardig geweest wat bloemen mee te nemen, ook al ben ik geen echte fan, het hoefde geen reusachtig boeket te zijn, een bosje.

Geef mij geldzorgen en ik kom weer tot leven, geef mij onbetaalde rekeningen en een stapel aanmaningen zo dik als een twintigdelige encyclopedie, en de wolf komt in mij los. Maar hier houdt de wolf zich koest, waarschijnlijkt uit piëteit, laten we dat maar denken. Zo'n mooi woord, piëteit, een echt woord voor een wolf.

Ik aanvaard de terugkeer.

Halverwege word ik een ander mens gewaar, nee, ik hoor een ander mens. Het kraken van grind overstemt de regen die op mijn paraplu klettert.

Ik draai me om en zie een vrouw. Een vrouw met een regenkapje en bloemen. Ze loopt haastig naar de uitgang. Ik laat haar passeren, ik houd niet van mensen in mijn rug, ik moet ze kunnen zien.

Het is vreemd, de meeste mensen die naar een begraafplaats gaan, komen met bloemen en laten die daar achter, maar zij vertrekt met bloemen. Misschien is ze zonder gekomen, en heeft een minuut of twintig rondgelopen tot ze het graf met het mooiste boeket vond. Straks zal ze die bloemen in een vaas in haar woonkamer zetten, of aan haar vriend geven, terwijl ze een lang en ingestudeerd huwelijksaanzoek uitspreekt, of om het goed te maken, wat dan ook, er valt altijd wel iets goed te maken.

Waarschijnlijk komt ze hier vaker om bloemen te stelen. Misschien wel twee keer per week. Het viel me al op dat er geen bloemetje op het graf van Joyce lag, niet eens een madeliefje.

Ik achtervolg haar.

Ze neemt de tram. Ik ga schuin tegenover haar zitten. Ik houd haar in de gaten.

De bloemen liggen op haar schoot, inderdaad zonder papier. Mijn theorie is werkelijkheid, zoveel is nu zeker.

Ik staar haar aan om duidelijk te maken dat we een geheim delen. Ik mag misschien niet helemaal fris zijn, laten we zeggen dat ik een smeerlap ben, maar zij is er ook een. Wat zij doet, valt onder grafschennis.

Ze kijkt me een paar keer aan, gaat zenuwachtig verzitten en probeert me dan te negeren.

Dit is vast niet haar eerste keer, dat zie je aan alles, dit doet ze al jaren.

De bestuurder klimt in de tram. Hij roept iets naar zijn kameraden, ik kan niet verstaan wat. Even kijkt hij in zijn tram, hij ziet twee smeerlappen, en rijdt dan met een ruk weg.

Ik heb nu zes contracten voor zes nieuwe boeken, straks komt er een zevende bij, gesteld dat je één boek per jaar schrijft, dan moet ik dus nog zeven jaar, dan ben ik mijn verplichtingen nagekomen. Net zolang als Jacob voor Rachel werkte, en toen kreeg hij Lea, maar hij had een idee, een visioen.

Daar kan ik verantwoordelijkheden tegenover stellen, contracten, discipline, een vuur wie weet ook dat, een waakvlam, maar geen visioen, geen hoop.

Ik ben de wolf die te koop is.

Hoe meer we de heuvel afrijden hoe drukker het wordt in de tram.

Ik houd de dievegge in de gaten. Als zij uitstapt, stap ik ook uit, hoewel ik heel ergens anders moet zijn. Dat is het voordeel als je je bevrijd hebt van je eigen visioenen, je denkt niet meer, dat kan ik niet maken.

Je kunt alles maken. Je hebt nog een paar verplichtingen tegenover twee, drie individuen, misschien minder. De rest zijn schimmen, echo's van schimmen.

Het is een buurt die ik niet ken. De winkels zijn al dicht.

Ik achtervolg haar op gepaste afstand. Mijn handen zijn rood van de kou, mijn zomerjas is ondanks de paraplu helemaal nat. Ik ben zelf regen, daarom hoef ik niet bang te zijn dat ze me ziet.

Ze loopt snel, ze wil haar buit in een vaas zetten, ze wil het vrolijk maken in haar huis, een bedompte woning natuurlijk waar al tien dagen niet is afgewassen.

Er zijn geen andere mensen op straat, alleen wij, twee smeerlappen.

Een zekere bloeddorstigheid kan men mij niet ontzeggen.

In een zijstraat blijft ze staan. Ze zoekt in een tas naar sleutels.

Ik minder vaart.

Ze kijkt naar links en ziet mij.

Ik blijf staan.

Ze laat iets vallen. Ik kan niet zien wat het is, een stuk papier, een adresboek, een agenda misschien met daarin de naam van het restaurant waar zondag de verjaardag van haar stiefvader wordt gevierd.

Twintig, dertig meter scheiden ons, en de regen. Ik breng mijn paraplu van mijn rechter- naar mijn linkerhand.

Ze heeft gezien dat ik een wolf ben.

Ik doe vijf passen in haar richting.

Eindelijk lukt het haar de deur te openen. Ze glipt naar binnen alsof ze een illegaal is.

Het huis heeft vier verdiepingen.

Ik ga aan de andere kant van de straat staan om te zien waar het licht aangaat, maar het licht gaat nergens aan.

Als het moet blijf ik hier tot de ochtend.

De mensen die tussen mij en mijn doel staan moeten opzij worden geschoven, en daar beleef ik nog plezier aan ook. Het is niet persoonlijk, allerminst, ze waren op de verkeerde plaats op het verkeerde tijdstip, ze hadden pech, ik kan geen verantwoordelijkheid nemen voor hun pech.

Het enige probleem is dat ik niet meer weet wat mijn doel is. Daarnet was mijn doel het bezoeken van het graf van Joyce. Dat doel is bereikt, nu heb ik geen doel meer, ik heb een paraplu, een natte zomerjas en een dievegge die ik in de gaten moet houden.

Anders doet ze het morgen weer.

Ik probeer een portiek te vinden, maar de huizen in deze buurt hebben geen portieken.

Honger heb ik niet, slaap ook niet, ik ben alert, geen geluid ontgaat me, geen beweging wordt niet door mij gezien.

Ik patrouilleer.

En ik fluit, om te kijken of dat ondanks de kou nog gaat, en dat gaat prima.

Verderop, in een andere straat, zie ik schaduwen van mensen die ik opzij moet schuiven.

Ik geef nooit op, ik benader mijn doel altijd van verschillende kanten, en ik kom altijd terug, zelfs al zie je me niet meer staan aan de overkant, onder de straatlantaarn, ik kom altijd terug, want ik ben een wolf.