Verloren nachten

Na de korte verhalen over Rotterdam, de stad van haar jeugd, haalt Tonny van der Horst herinneringen op aan Amsterdam, waar zij in 1938 ging wonen. Vandaag: de Amsterdamse bohème.

Toen Vic en ik in 1938 in stilte waren getrouwd, vertrokken we voor een korte huwelijksreis naar Vlieland en schakelden vervolgens als voortzetting van de wittebroodsweken over op de diverse genoegens die onze nieuwe woonplaats Amsterdam te bieden had. We gingen naar de schouwburg, waar de directeur, Johan Bendien, feestelijk in rok gekleed, de bezoekers in de hal placht op te wachten; naar het Leidsepleintheater, het Centraaltheater – destijds in de Amstelstraat – en naar Tuschinski met het cabaret dansant La Gaîté. Als hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer had Vic overal vrije toegang.

Daartussendoor werkten we de lijst met namen van vrienden en bekenden af die ons, bij wijze van een verlaat bruiloftsmaal, te eten hadden gevraagd. Een van hen was Riens Dijkstra, bestuurslid van De Groene, die communistische sympathieën had, wat ik, hoewel hevig geïmponeerd door de ontvangst, moeilijk kon rijmen met de schitterend gedekte tafel in roze en zachtgroen, waar een meisje in een zwart jurkje, met een minuscuul schortje voor en een witkanten hoofdbandje in het haar, de uitzonderlijkste gerechten serveerde.

Allengs leerde ik de verschillende aspecten kennen van het hoofdstedelijke kunstenaarsbestaan, dat zich hoofdzakelijk afspeelde op De Kring, de nachtsociëteit boven Heineken Hoek aan het Kleine-Gartmanplantsoen, en in Café Reijnders en Américain op het Leidseplein. In Américain hadden we een eigen tafel aan het eind van de zaal, naast een pilaar, waar je elkaar omstreeks het borreluur kon treffen. Tot de vaste bezoekers behoorden de schilder Carel Willink met zijn vrouw Wilma, enkele journalisten van de plaatselijke dagbladen, onder wie Henk Kersting en Rein Blijstra (die met Miesje, Willinks eerste vrouw, was getrouwd), de tekenaars Charles Boost en Eppo Doeve en een aantal dichters en schrijvers, bij wie ik me met mijn tweeëntwintig jaar een onnozel schaap voelde.

Na de borrel, die tot ver in de avond duurde en niet aan mij was besteed, werd er, ook als de middelen ervoor ontbraken, gegeten bij Dorrius, Kempinski, Keizer of Schiller – etablissementen die te allen tijde bereid waren de rekening tot nader order op te schorten. Gewoonlijk eindigden deze bijeenkomsten op De Kring, waarvan je lid diende te zijn om via de uitgesleten treden van een steile houten trap te worden toegelaten tot een door rook en alcohol bezwangerde ruimte, waar men zich tot de ochtendschemer onledig hield met drinken, debatteren, dansen, pokeren, biljarten en schaken.

In een nevenvertrek bevond zich de zogenaamde `keuken', met stoelen en tafels langs de bruin uitgeslagen wanden en een rij barkrukken voor een omvangrijk buffet, waarachter de legendarische Jan Swart sinds mensenheugenis de scepter zwaaide. Hij had de eigenschap om op een vrijmoedige manier met de Kringleden om te gaan, die hij tutoyeerde, terwijl hij er niet voor terugschrok hun glazen ongevuld te laten als zij in verregaande staat verkeerden, of de wanbetalers geen krediet meer te geven. Indien deze laatsten tot de groep beeldende kunstenaars behoorden, nam hij soms genoegen met een schikking waarbij de schuld werd vereffend door middel van een schilderij of tekening, met het gevolg dat hij een omvangrijke verzameling kunstwerken heeft nagelaten, waarvan sommige, dankzij de faam die de wanbetaler inmiddels had verworven, veel geld hebben opgebracht.

Wanneer Jan bij het aanbreken van de dag weigerde de langblijvers van drank te voorzien en de pick-up te bedienen ten gerieve van een paar onvermoeibare danslustigen, waren we genoodzaakt te vertrekken. In plaats van regelrecht naar huis te gaan, belandden we soms in Het Stuivertje, een lokaliteit op het terrein van de groenteveiling ergens in West, waar we, omgeven door blauwe tabakswalm, tussen de groentehandelaren zwarte koffie dronken. 's Zomers kon het ook gebeuren dat we achter het Centraal Station het bootje naar Schellingwoude namen om op de dijk langs het water van het Buiten IJ uit te waaien en van ons laatste geld in de dorpsherberg te gaan ontbijten.

Hoewel we er een katterig gevoel van overhielden en Vic, die het zonde van de tijd vond, het zijn `verloren nachten' noemde, bleven ze voor mij, die dit soort opwindende escapades in Rotterdam niet had gekend, onweerstaanbaar aantrekkelijk en verbeeldde ik me dat ik nu deel uitmaakte van de Amsterdamse bohème – wat mij overigens nooit is gelukt.

    • Tonny van der Horst