Terreur in Moskou

Bij de invalswegen van Moskou staan weer pantserwagens en gewapende politiemannen. De burgers moeten zo een veilig gevoel krijgen. Het zal amper helpen, nu Tsjetsjeense mannen én vrouwen een buurttheater in de wijk Proletarskaja met honderden mensen hebben gegijzeld. Het lijkt erop dat er een specifieke clan uit Tsjetsjenië in actie is gekomen en dat er niet alleen politieke maar ook persoonlijke wraak in het spel is. Dat neemt niet weg dat de gijzeling nadrukkelijk is opgeëist, anders dan bij de bomaanslagen op Moskouse flats drie jaar geleden. Voor die terreurdaden hebben de Tsjetsjenen de verantwoordelijkheid afgewezen, voor deze gijzeling niet.

De aandacht buiten Rusland voor deze brutale actie staat niet in verhouding tot de commotie over de terreurdaad van 11 september. Dat is op zichzelf enigszins begrijpelijk, gezien de lange geschiedenis van de oorlog in de Kaukasus. De Tsjetsjeense overval is desondanks een immense klap. Allereerst voor de slachtoffers (onder wie een Nederlands-Oekraïense vrouw en haar kind) en hun naasten (onder anderen hun man/vader, die in Amsterdam werkzaam is bij een soort officieuze Nederlands-Russische Kamer van Koophandel), op straat wanhopig zoekend naar informatie. Ten tweede voor president Poetin in het Kremlin.

Hoe het afloopt, is onduidelijk. Onderhandelingen met twee parlementariërs hebben weinig opgeleverd. Slechts mondjesmaat worden kinderen vrijgelaten. Eén vraag dient zich helaas echter al aan. Hoe is het mogelijk dat de geheime dienst FSB, die onder Poetin aan prestige heeft gewonnen, de gijzeling niet heeft zien aankomen? Waar is de FSB afgelopen jaren mee bezig geweest, met de binnenlandse veiligheid of met de opsporing van en afrekening met criminelen dan wel grote oligarchen die de machtspositie van het Kremlin wilden tarten?

Daarop moet Poetin straks antwoorden. Want het was Poetin die in 1999 als premier en ex-FSB'er verantwoordelijk was voor de opleving van de Tsjetsjeense oorlog, die zijn voorganger Jeltsin in 1996 met een wapenstilstand smadelijk had moeten beëindigen. Het was Poetin die het volk indertijd toezegde dat hij de rebellen zou vernietigen door ze tot op de ,,plee'' te achtervolgen. Het resultaat is de afgelopen drie jaar gering geweest. De oorlog is onder zijn leiding niet tot een goed einde gekomen, ook al halen de gevechtshandelingen waarbij gemiddeld nog altijd tien mensen per dag sneuvelen, de voorpagina's niet meer. Tijdens de eerste oorlog (1994-1996) hadden de rebellen al aangekondigd dat ze de strijd naar Moskou zouden verplaatsen. Ze kwamen niet verder dan Boedjonnovsk, een stadje in het zuiden. Met de bezetting van het theater in Moskou zijn ze daarin wel geslaagd.

Het is nog ongewis hoe de regering-Poetin gaat handelen. Ook in Rusland is inmiddels enige ervaring met de techniek van tijdrekken, onderhandelen en toeslaan. Maar het draait er ook om hoe het Kremlin na een, hopelijk zo vreedzaam mogelijke, oplossing zal reageren. In de schaduw van Irak ligt het eerder voor de hand dat Moskou gewapenderhand dan diplomatiek zal optreden. Poetin heeft al gezegd te weten waar de schuldigen zitten: in het buitenland. Hij noemde geen namen en leverde geen bewijzen. Een van de doelwitten van mogelijke interventie ligt niettemin voor de hand: Georgië, een vervallen soevereine staat in de Kaukasus waar Tsjetsjeense rebellen en vluchtelingen in de bergen hun toevlucht zoeken en vrijelijk kunnen bewegen.

Moskou eist al ruim een jaar van de Georgische president Sjevardnadze dat hij daar in de Pankisi-vallei orde op zaken stelt. Tot nu toe is daar niets van terechtgekomen.

De provocatie van de Tsjetsjenen in Moskou nodigt uit tot een provocatie van de Russen in Georgië. Het zogeheten `derde front' van de oorlog tegen het terrorisme, dat zich in het zuiden van Rusland bevindt, wordt hoe dan ook steeds meer een echt oorlogsfront. Het westen, dat zijn kritiek op de aanpak van de Tsjetsjeense oorlog na de 11de september al had getemperd, heeft nu nog minder argumenten om de regering-Poetin te bewegen tot terughoudendheid.