Ten prooi aan zwendelaars

Museum Kranenburgh wijdt een expositie aan vervalsingen van de Bergense School. Herwaardering heeft de handel in vervalsingen lucratief gemaakt, de expositie moet particuliere kopers waarschuwen.

Op een rijtje staan ze tegen de muur in Museum Kranenburgh, vier vervalsingen van Leo Gestels schilderij Dame met grote hoed in prieel. Het zijn maar kleine doekjes, deze portretten van een mondaine vrouw met een rode hoed. Met haar gestifte lippen en de sigaret die nonchalant tussen haar vingers zweeft, vormt ze een aantrekkelijk plaatje dat kennelijk ook als vervalsing en kopie goed is verkocht.

Het origineel uit 1913, dat zojuist in het museum is gearriveerd, is een bruikleen van het Frans Halsmuseum. Als het authentieke doek is uitgepakt, blijkt hoe enorm het contrast is met de ten onrechte met `Leo Gestel' gesigneerde stukken. Op het authentieke doek is de jurk van de vrouw niet rood, maar van een veel verfijnder cyclaam-roze. Haar gezicht is niet popperig maar geheimzinnig, de ogen zijn niet blauw maar grijs-groen - Gestel ontleedde ze in facetten, als van een geslepen kristal, zoals alle onderdelen van dit schilderij. Het fruitstilleven op tafel, het gebladerte achter de vrouw, de plooien van haar jurk, tezamen vormen ze een wervelende dans van vlakken.

Opvallend is dat juist die typerende compositie rondom de vrouwenfiguur op de vervalsingen is weggelaten: die ging het technisch kunnen van de kopiisten kennelijk te boven. Het gevolg is dat waar Gestels doek geladen en dynamisch is, de vervalsingen statisch en vlak zijn.

Museum Kranenburgh, dat zijn bestaan dankt aan de Bergense School, kreeg de laatste jaren steeds meer vervalsingen aangeboden – ook in de vorm van schenkingen – en besloot er een expositie aan te wijden. Oogmerk is om vooral particulieren te informeren, die als argeloze kopers het vaakst het slachtoffer zijn van bedrog.

Sinds de Bergense School aan herwaardering onderhevig is, duiken er steeds meer vervalsingen op van kunstenaars als Gestel, Filarski, Colnot, Else Berg, Wiegman en Weijand. Zij vormden tussen 1915 en 1925 een groep die zich wijdde aan `de nieuwe schilderkunst', een gematigde vorm van expressionisme. Hun werk was tot en met de jaren dertig erg in trek, niet in de laatste plaats dankzij de veelkopende verzamelaar Piet Boendermaker, een Larense makelaar die en gros kunst van plaatsgenoten aanschafte en zo hun belangrijkste afnemer was. Boendermaker ging begin jaren dertig failliet en de meeste stukken uit zijn collectie werden na zijn dood, in de jaren vijftig, voor spotprijzen geveild.

Het tij is inmiddels gekeerd: in december biedt veilinghuis Christie's in Amsterdam een landschap van Gestel uit 1912 aan, waarvan de richtprijs op 350.000 tot 500.000 euro is vastgesteld – een ongekend hoge vraagprijs. Eerder brachten stukken van hem bijna drieëneenhalve ton op.

Omdat er nog vrijwel geen overzichtswerken van Bergense School-kunstenaars bestaan, en omdat hun productie zo hoog was, zijn er tal van mogelijkheden voor kwaadwillenden om werken `toe te voegen' aan deze niet in kaart gebrachte oeuvres. Vooral de wat minder bekende kunstenaars uit de groep, die het slechtst gedocumenteerd zijn, blijken een dankbare prooi voor zwendelaars. Voor dikwijls kleine prijzen worden dergelijke stukken bij kleinere, regionale veilinghuizen aangebracht, waar minder expertise voorhanden is om de vervalsingen te ontmaskeren.

Vervolging

De situatie is overigens niet uniek voor de Bergense School. Een hoge productie en het – mede daardoor – ontbreken van een volledig overzicht van alle bij een beweging behorende kunstenaars, geldt ook voor een Nederlandse stroming als De Ploeg, waarvan eveneens veel vervalsingen zijn aangeboden. Een gerenommeerd en fatsoenlijk veilinghuis neemt vals werk terug, maar elk veilinghuis hanteert andere voorwaarden. Ook is er geen standaardwijze waarop duidelijk wordt aangegeven in de veilingcatalogus dat de echtheid van een werk wordt betwijfeld of – voorzichtiger gezegd – dat de toeschrijving onzeker is.

Jetske Homan van der Heide van Christie's merkt op dat de Nederlandse wetgeving nauwelijks mogelijkheden biedt voor veilinghuizen en erfgenamen om vervalsers strafrechtelijk te vervolgen: ,,In Duitsland kunnen erven bijvoorbeeld beslag laten leggen op vervalste stukken, waardoor ze uit de roulatie gehaald worden.'' Ook is een kunsthandelaar niet verplicht om de echtheid van een kunstwerk te onderzoeken alvorens het te verkopen. En als opzettelijk bedrog niet bewezen kan worden, is vervolging uitgesloten.

De voormalige kunsthandelaar Renée Smithuis geldt als de belangrijkste expert van deze stroming. Het frappeert haar vooral dat vrijwel geen vervalsing zelfs maar lijkt op het origineel: ,,De meeste stukken benaderen niet eens de schildershand van het origineel dat zij willen nabootsen. Vaak zijn ze veel te glad geschilderd, zonder het karakteristieke expressionisme uit Bergen.'' Op de tentoonstelling is dat te zien aan bijvoorbeeld een vals stuk gesigneerd met Else Berg, dat een hoop bladeren voorstelt; maar thema, compositie en schildertrant passen volstrekt niet in Bergs oeuvre. Van `Harry Kuijten' is er een grachtje met fijn geschilderde monumentenpandjes, terwijl Kuijten zelf met een losse toets boslanen schilderde, en geen stadstaferelen.

Kennelijk zijn het geen doorgewinterde vervalsers die zich op deze stroming concentreren, maar al leveren zij hun valse werk af tegen bescheiden prijzen, het is hun wel degelijk om het geld te doen. Rik Fernhout, kleinzoon van Charley Toorop en bestuurslid van Kranenburgh, zag in zijn voormalige werkkring bij Sotheby's twintig jaar geleden de eerste vervalsingen van Bergense School-kunstenaars binnenkomen. ,,Het zijn een paar mensen die zich er professioneel mee bezighouden. De prijzen zijn laag – tot enkele honderden euro's – maar als je series maakt en die bij verschillende veilinghuizen uitzet, kun je toch aardige winsten boeken.''

Overigens is juist het lage aankoopbedrag iets wat achterdocht zou moeten wekken: gezien de huidige prijzen van de Bergense School is het onmogelijk om voor een paar honderd euro een origineel op de kop te tikken. ,,Veel amateurs strelen zich met de gedachte dat zij een vondst hebben gedaan, terwijl zij in werkelijkheid koopjesjagers zijn'', aldus Smithuis.

Een enkele particuliere koper die zijn valse stukken beschikbaar stelde voor de expositie in Bergen, wil wel vertellen hoe het zit met die aankoop, mits hij anoniem kan blijven.

Miskoop

Met een miskoop loopt niemand graag te koop. De eigenaar van een vervalsing van Gestels Dame in prieel vertelt hoe hij het stuk acht jaar terug kocht bij een klein veilinghuis, hoewel hij wist dat er meer van in omloop waren. ,,Ik was er onzeker over, maar heb toch de gok gewaagd. Het kostte maar een paar honderd gulden, en als je als kleine verzamelaar met weinig geld werkt, denk je: wie weet.'' Opmerkelijk is de titel van dit werkje: Miss Red, dat hardop uitgesproken ook misread kan betekenen. Misschien gaat het hier om een grapje van de vervalser, waardoor een oplettende koper gewaarschuwd had kunnen zijn.

Wellicht zijn er daarnaast vervalsingen uit de jaren twintig en dertig in omloop, toen het succes van de Bergense kunstenaars de jaloezie van collega's wekte. Een bekend geval is de zwager van Gestel, Van Piggelen, die als `gestelliaan' al in de trant van zijn bekendere familielid werkte. Na Gestels dood in 1941 signeerde Van Piggelen eigen werk met de signatuur `Leo Gestel'. Fernhout maakte de veiling van Van Piggelens atelierinboedel mee, waaronder ook enkele ongesigneerde mappen met tekeningen waren. ,,Dezelfde tekeningen zag je een paar jaar later weer in de handel komen, valselijk ondertekend met `Gestel'.''

Valse signering achteraf gebeurt ook wel door kunsthandelaren; zo herinnert Renée Smithuis zich een authentieke Mommie Schwarz die echter zonder signatuur was. Adriaan Venema verkocht hem vervolgens met een nagemaakte signatuur van Schwarz erop.

Expertise is bij een relatief recente stroming als de Bergense School nog niet rijkelijk voorhanden. Vooral nabije familieleden fungeren als deskundigen, die kunnen beschikken over gegevens uit de eerste hand. Cécile Kuijten was elf toen vader Harry (1883-1952) overleed, maar ze woont nog in zijn atelierwoning in een oude stolpboerderij, waar ze beschikt over zijn productielijsten en kasboekjes. Kuijten – van wie in Kranenburgh nu diverse landschappen hangen – verkocht goed, zoals de meeste Bergense School-kunstenaars: zo'n 1000 werken, voor bedragen van 20 of 30 gulden, met een enkele uitschieter. Boendermaker bezat circa 100 werken van Kuijten. De laatste jaren wordt Cécile Kuijten steeds vaker benaderd met onbekend werk gesigneerd met `Harry Kuijten', en de vraag of dat vals of echt is. ,,Ik zeg altijd: ik ben er niet bij geweest, dus honderd procent zeker kan ik het niet zeggen.'' Wel probeert zij zoveel mogelijk juiste informatie over haar vaders oeuvre te geven, onder meer door mee te werken aan een boek daarover.

Ook Doortje Haan-Wiegman, dochter van Piet Wiegman (1885-1963) verstrekte veel informatie voor de monografie over haar vaders oeuvre, dat volgend jaar verschijnt. ,,In het begin reageerde ik heel intuïtief: `Nee hoor, dat kan mijn vader nooit gemaakt hebben!' Maar ik kende alleen het latere, eenvoudige en strakke werk. Niet de fijn getekende werkjes van begin 20ste eeuw.'' Haar naspeuringen openbaarden de zijwegen, experimenten en afwijkende opdrachtwerken van haar vader, de onvoorspelbare wendingen die een oeuvre kan nemen. Haan-Wiegmans conclusie is dan ook: ,,Hoe meer je weet van de ontwikkeling van een kunstenaar, des te onzekerder je word over de juiste toeschrijving.''

Omstreden

Ook op de tententoonstelling in Kranenburgh staat nergens ronduit dat een werk vals is; bordjes met rode driehoek markeren twijfelachtige stukken, voorzien van de tekst: `let op, omstreden'. Zowel op de tentoonstelling als in de bijbehorende brochure wordt ingegaan op de functie van natuurwetenschappelijk onderzoek bij het blootleggen van vervalsingen, zoals pigmentanalyse. Dit deel van de expositie is in samenwerking met de afdeling Conserveringsonderzoek van het Instituut Collectie Nederland gemaakt, dat zich bezighoudt met analyses van techniek, vervaardiging, verouderingsverschijnselen en vervalsingsmethodes.

Voor een amateur die geen kat in de zak wil kopen, blijft het beste advies om zoveel mogelijk informatie over een stuk in te winnen voordat tot aankoop wordt besloten. En gerenommeerde kunsthandelaren en veilinghuizen – anders dan verkopers op rommelmarkten en bazars – hebben een naam te verliezen.

De anonieme verzamelaar die een valse Gestel kocht, troost zich nu met de wetenschap dat hij het doekje een paar jaar later – niet wetende dat het werkelijk vervalst was – aan een kunsthandelaar had verkocht `voor een mooi prijsje': ,,Weliswaar kwam hij het een tijdje later terugbrengen toen bleek dat het vals was, maar hij was er als professional toch ook ingetuind.''

De tentoonstelling `Vervalsingen (?) in de Bergense School'. T/m 2 maart in Museum Kranenburgh, Hoflaan 26 Bergen. Open: di t/m zo 13-17u. Brochure: €10,-.

    • Renée Steenbergen