Talrijke zonderlingen

In een serie over vertaalde klassieken deze week `Ieder mens een moordenaar' van Heimito von Doderer (vertaald door Nelleke van Maaren. Atlas, 398 blz. € 27,50)

Heimito von Doderer (1896-1966) is een van de grootste Oostenrijkse schrijvers uit de vorige eeuw. Zijn faam berust vooral op twee reusachtige romans, Die Strudlhofstiege uit 1951 en Die Dämonen uit 1956, ware prozalabyrinthen van negenhonderd en dertienhonderd bladzijden waarin nagenoeg alle maatschappelijke klassen van Wenen in de jaren tussen 1910 en 1930 vertegenwoordigd zijn: intellectuelen en de onderwereld, de adel en de arbeiders, schrijvers, prostituees en legerpersoneel.

Door middel van honderden episoden, waarin telkens een stukje uit het leven van een of meer figuren wordt verteld (sommigen komen in beide romans voor), roept Doderer een breed en schitterend panorama op van de Oostenrijkse samenleving in het begin van de twintigste eeuw. Opvallend is dat hij nauwelijks belangstelling heeft voor de sociale- of politieke context; de Eerste Wereldoorlog, het uiteenvallen van de Donaumonarchie of de maatschappelijke onlusten in de jonge republiek Oostenrijk worden slechts zijdelings genoemd. Met het kritisch-intellectuele proza van Robert Musil in Der Mann ohne Eigenschaften (vanaf 1930) of de nostalgische romans van Joseph Roth zoals Radetzkymarsch (1932) – waarin eveneens wordt teruggekeken op de nadagen van Kakanië – heeft Doderers werk dan ook weinig gemeen. Hij wilde vertellen over datgene wat `ondanks de geschiedenis' gebeurt, over de `magische biografie' van het individu, waarbij zijn aandacht vooral gericht is op de onderlinge, niet in de laatste plaats erotische betrekkingen tussen zijn personages.

Heimito von Doderer werd in Hadersdorf bij Wenen geboren als zoon van een bekende Oostenrijkse architect. Hij studeerde geschiedenis in Wenen en promoveerde in 1925, maar besloot al vroeg zich volledig aan de literatuur te wijden. In 1933 werd hij lid van de toen nog in Oostenrijk verboden nationaal-socialistische partij, een besluit waar hij al in 1938 op terug kwam (in 1940 vroeg hij zelfs tevergeefs een uitreisvisum voor Amerika aan), maar dat hem niettemin na de oorlog tijdelijk op een publicatieverbod kwam te staan. Hoewel Doderer al vanaf de jaren twintig romans, verhalen en poëzie publiceerde, werd hij pas na het verschijnen van zijn grote werken in de jaren vijftig beroemd. Ook Frankrijk, Italië en Engeland maakten hem nu het hof; bijna overal in Europa was hij een gevierd schrijver in de nadagen van zijn carrière.

Doderers werk kan in twee fasen worden verdeeld: zijn vroege en nog tamelijk rechtlijnige werk uit de jaren tot aan de Tweede Wereldoorlog, versus het speelse en springerige proza uit de jaren erna, dat gekenmerkt wordt door talloze uitweidingen en dat met zijn barokke vertelplezier soms doet denken aan de Duitse romanticus Jean Paul, naast Dostojewski en de Weense biedermeier-satiricus Johann Nestroy een van zijn grote inspiratoren. Ook ging Doderer in de naoorlogse jaren steeds meer gebruik maken van het Oostenrijkse en vooral Weense idioom, wat zijn werk een aparte charme verleent.

Zijn nu vertaalde roman Ieder mens een moordenaar uit 1938 is misschien niet de meest voor de hand liggende keuze om Doderer in Nederland te introduceren. Een van zijn korte late romans, zoals de schitterende voyeursgeschiedenis Die erleuchteten Fenster (1951) of een keuze uit zijn vaak groteske verhalen zou als kennismaking wellicht beter zijn geweest. Maar anderzijds is Ieder mens een moordenaar een spannende roman waarin enkele centrale thema's van Doderer op vernuftige wijze zijn geïntegreerd. Centraal staat de jonge Conrad (`Kokosch') Castiletz, wiens eerste dertig levensjaren worden beschreven. Als scholier veroorzaakt hij zonder het te weten iemands dood: tijdens een treinreis probeert hij indruk te maken op enkele vrienden door een jonge vrouw in een tunnel de stuipen op het lijf te jagen. De vrouw komt ongelukkig ten val en overlijdt.

In een latere fase van de roman verschijnt Castiletz als succesvol zakenman en echtgenoot. Zijn vrouw heeft een overleden zus die vele jaren eerder op mysterieuze wijze werd vermoord, althans zo denkt iedereen want de zaak werd nooit opgelost. Castiletz raakt in de ban van het portret van deze mooie vrouw en besluit de zaak eigenhandig uit te zoeken. Uiteindelijk moet hij constateren dat hij zelf verantwoordelijk is geweest voor de dood van zijn schoonzus.

Ieder mens een moordenaar is in de eerste plaats een ontwikkelingsroman en pas daarna een misdaadverhaal; zowel de `moord' als de ontknoping wordt terloops meegedeeld. Het gaat Doderer vooral om de persoonlijkheid van Castiletz en diens rijpingsproces, waarbij het toeval en de confrontatie met zichzelf - twee centrale thema's van de schrijver – van doorslaggevende betekenis zijn. Castiletz wordt gepresenteerd als een doorsneefiguur (`geen denker van beroep'), een pedante en carrièrebewuste `meeloper', achter wiens hoffelijke en innemende façade veel destructieve en sadistische eigenschappen schuil gaan. Uiteindelijk lijkt hij niet opgewassen tegen zijn eigen schuld en zwakheid. In een sleutelscène tegen het einde van de roman, als Castiletz zijn hart lucht tegenover zijn mentor Hohenlocher, houdt deze hem voor dat `weten wie men eigenlijk zelve is' niet alleen het hoogste is dat iemand kan bereiken, maar dat dit in zijn geval tevens een aanzienlijk gevaar inhoudt. Even later sterft Castiletz bij een gasexplosie, die overigens al vele pagina's eerder wordt aangekondigd.

Dit laatste is typisch voor Doderer. Heel wat fragmenten krijgen pas achteraf hun volledige betekenis. Doderer is ongetwijfeld een vernuftig constructeur, die graag een spelletje speelt met de lezer. Zelfs de titel is bewust dubbelzinnig. In zijn jeugd had Castiletz een verhouding met een eenvoudig naaistertje genaamd Ida Plankel, die door hem weinig subtiel aan de kant werd gezet. Even later stierf het meisje. Dit is de tweede, meer bewuste `moord' van Castiletz. Vlak voor zijn dood, in wat misschien de ontroerendste scène van de roman is, vallen deze Ida Plankel en de bij het treinincident omgekomen Louison Veik samen in de herinnering van de hoofdpersoon.

Soms vertelt Doderer ietwat wijdlopig, maar daar staan heel wat onderhoudende en amusante delen tegenover. Bewondering verdient deze roman ook door een aantal sterke bijfiguren zoals bovengenoemde Hohenlocher, een kenner van de wereldliteratuur en tevens alcoholist, of de biseksuele huisleraar Albert Lehnder, figuren die vooruitwijzen naar de talrijke zonderlingen in het latere werk. Het is te hopen dat een van die late romans spoedig kan volgen, mogelijk zelfs Doderers meesterwerk Die Strudlhofstiege, dat is opgenomen in de door Marcel Reich-Ranicki samengestelde canon van twintig belanrijkste Duitse romans aller tijden.

    • Wil Rouleaux