Stembus en straatbeeld

Als alles verder gaat zoals het nu gaat, zal de nieuwe Nederlandse politiek zich ook weer aan het straatbeeld meedelen. Denken we nog even aan de vorige verkiezingscampagne. De gemeente richt houten staketsels op, tijdelijke aanplakruimte waarop de partijen van de gevestigde orde hun duffe design-affiches mochten plakken. Gezicht van de lijsttrekker in studiopose, nummer van de lijst, naam van de held en Voor een betere toekomst met... Niemand keek ernaar, de concurrentie nam niet eens de moeite, zo'n plakkaat af te scheuren.

De laatste campagne waarin sommige affiches het aankijken waard waren, dateren van de tijd waarin de Communistische Partij Nederland (CPN) nog een deuntje meeblies. Beeldende kunstenaars waren communist, of ze sympathiseerden, een enkele uitzondering daargelaten. Ze schilderden de borden van de partij, allemaal anders, collectors items zou je nu zeggen. Een Wolkers of een Sierhuis uit die tijd zou ik graag willen hebben. Het straatbeeld deugt alleen als het je nieuwsgierig maakt. Dit maakte meer dan nieuwsgierig; je werd begerig, het was kunstgenot.

Dat kwam ook doordat de CPN voorlopig de laatste partij was die niets met de consensus te maken had. Consensus kan veel goeds brengen, maar het artistiek individualisme wordt erdoor gesmoord. De beeldende kunst wendde zich van de politiek af. De partijen gingen voor hun propaganda naar de professionele bureaus, die professioneel gladde affiches ontwierpen. Bovendien zullen de tekstschrijvers en ontwerpers zich naar de regelgeving hebben gevoegd. Regelgeving. Ik vind het een irritant-gewichtig woord. Het wekt de indruk dat je de regels cadeau krijgt en er blij mee moet zijn.

Als het een beetje wil, is dat nu afgelopen. De taal en de gebruiken van de gewone mensen zijn tot de politiek doorgedrongen niet tot mijn onverdeeld plezier wil ik erbij zeggen maar als de nieuwe vrijheid zich tot de campagne uitstrekt, schort ik de rest van mijn oordeel op. De mooiste affiches ontstaan uit confrontaties, verzet. Het recentste bewijs is geleverd door de Kroatische en Servische kunstenaars toen het daar oorlog was. En daarvóór hebben de Poolse grafici hun bloeiperiode, in de overgangstijd tussen dictatuur en democratie. Toen de commercie eenmaal had gezegevierd, was het afgelopen met die bezielde kunst. Reclame wekt niet op tot verzet, maar schakelt gelijk in hetzelfde massale begeren.

Op het ogenblik zit, artistiek gesproken, Nederland op het gebied van de affichekunst in een ongekend gunstige situatie. Op het CDA en de VVD na zijn alle partijen in de oppositie. Dit biedt allerlei mogelijkheden. Zo zullen ze in woord en vooral beeld zo duidelijk mogelijk kunnen maken hoe ze zich de toekomst van de natie voorstellen. En meer nog: ze zullen de kiezers willen laten weten van welke ellendige toestanden ze zich hebben bevrijd, de toestanden die nooit meer terug mogen komen. En het belangrijkst: ze zullen u aan het verstand willen brengen wat u van de andere partijen moet denken. In Amerika is dat heel gewoon. Op z'n minst de helft van de krijgskas wordt besteed aan de attack ads, waarin op de televisie de tegenstander wordt ontmaskerd als een gluiperd, een leugenaar.

In het begin van dit jaar, nog vóór de Nederlandse politiek in ontbinding raakte, is er een interessant boek verschenen, Om de stembus, verkiezingsaffiches 1918 - 1998, van D.J.Elzinga en G.Voerman, waarin we onder andere het artistiek verval van het politiek affiche kunnen volgen. De schrijvers wijten het aan de opkomst van de televisie. Zeker, maar daarmee is nog niet verklaard waarom het kunstzinnig gehalte zoveel afbreuk is gedaan. Tot P. Fortuyn zijn debuut maakte, was politiek op televisie vrijwel even duf als op de affiches.

Al sinds staatssecretaris Rick van der Ploeg, of misschien nog eerder, wordt geprobeerd `de kunst dichter bij het volk te brengen'. Dat lukt alleen als het volk inziet dat het een belang – welk dan ook – bij de kunst heeft. Het volk heeft in ieder geval belang bij de verkiezingen. Als de kunst weer dichter bij de verkiezingen wordt gebracht, krijgt het volk vanzelf weer belang bij de kunst. Ei van Columbus.

Het ligt dus voor de hand dat de partijen sympathiserende beeldende kunstenaars en schrijvers uitnodigen om creatief mee te doen aan de campagne. Dit alles hoeft niet per se in affiches. Maak eens iets in videoclips. Die worden ook tot de kunst gerekend. En kijk voor de inspiratie nog even in het genoemde boek, of in het oeuvre van Georg Grosz, John Heartfield, Honoré Daumier, Albert Hahn. Ik noem er maar een paar die niet terugschrokken voor een beetje demoniseren.

Op het ogenblik heerst de vrees dat de opkomst op 22 januari lager zal zijn dan ooit. Daar kunnen vooral onze kunstenaars iets aan doen, zoals ik hierboven heb uitgelegd. En zelden zullen kunst en democratie dan zo hecht verenigd optreden. Schrik er niet voor terug, zo'n kans komt eens in de twee generaties.

D.J.Elzinga en G.Voerman: Om de stembus, verkiezingsaffiches 1918-1998. Uitg. L.J.Veen, €20, herziene ed. van de eerste druk uit 1992.