Steeds hoger boven het riet

Oek de Jong was de literaire ontdekking van de late jaren zeventig. Maar daarna ging het mis. Hij vond de mystiek, en verloor de literatuur. Maar na bijna tien jaar is er een roman waarin literatuur en mystiek elkaar de hand reiken. Niet in de stilstand, maar in de beweging.

Waar bleef Oek de Jong?

Het begon ooit als een literaire kickstart. Student kunstgeschiedenis schrijft een paar verhalen en wint daar in 1976 meteen de Reina Prinsen Geerligsprijs voor ongepubliceerd talent mee. Komt het jaar daarop met een verhalenbundel, De hemelvaart van Massimo, en wordt ook in de pers onmiddellijk herkend als een belofte. Publiceert weer twee jaar later de roman Opwaaiende zomerjurken en mag zich sindsdien, nog voor zijn dertigste, de schrijver noemen van een onbetwistbare klassieker van de naoorlogse literatuur.

Maar dan begint er iets te haperen. Als nog eens vier jaar later, 1983, een volgende roman staat aangekondigd, blijkt dat iets te vroeg gejuicht. De publicatiedatum wordt verschoven en de titel wordt veranderd, zelfs tot twee keer toe, voordat het boek in 1985 eindelijk verschijnt als Cirkel in het gras.

,,Het was een uitputtingsslag', zegt de schrijver tegen deze krant, na weer een stapel laaiende kritieken. ,,Wat ik gedaan heb lijkt, denk ik, op wat een topsporter doet: zoeken naar wat je fysiek en mentaal aankunt. [...] Als ik nu de stof voor een boek in handen krijg waarvoor ik opnieuw vijf jaar nodig zou hebben, weet ik dat ik dat aankan. Maar ik had het niet veel langer vol kunnen houden.'

Dat klinkt bemoedigend en onheilspellend tegelijk. Literatuur als duurproef, in een haast ondraaglijk isolement, waar stort die man zich straks weer in? Er treedt een stilte in van jaren en het lijkt er dus op dat hij inderdaad weer iets veeleisends onder handen heeft. Bij zijn debuut al liet hij weten dat hij niet van plan is zichzelf te herhalen, ieder boek moet anders zijn, en daar heeft hij zich tot nog toe streng aan gehouden. Hij is blijkbaar een bezeten zoeker, meer dan een vinder, dus geen wonder dat het even tijd neemt.

Zo gaan vijf jaar voorbij, de vijf jaar die hij zelf als grens ziet. En een zesde jaar. En dan een zevende. Geen nieuws. Geen Oek, geen boek, niet eens een kort verhaal in een of ander blad als levensteken, en dan wordt het voor de vaste lezers moeilijk om niet af en toe te denken aan een beeld dat bij De Jong elk boek weer opduikt. Het is het beeld van een man, de uitputting nabij, die met een hoofd vol tollende gedachten op een oever staat en plotseling te water raakt, hij weet niet hoe, hij glipte weg. Maar hij weet ook dat het geen toeval is, er was iets dat hem er naartoe zoog, en nu hij naar de bodem zakt, laat hij het gebeuren en wacht af wanneer hij weer naar boven wil. Of hij weer naar boven wil.

Dan, na acht jaar, 1993, verschijnt De inktvis, amper honderdvijftig bladzijden, met daarin twee novellen die inderdaad weer anders zijn dan alles wat voorafging. Beide doen ze het verhaal van mensen die zich in zichzelf hebben teruggetrokken `als in een grot'. Ze zwijgen hele dagen, ze verstarren tegenover anderen, ze kroppen al hun spanning op tot het ondraaglijk wordt – en zetten dan op het beslissende moment een vreemde, bruuske stap. De een, een jongetje, loopt met een geit naar zee en neemt een duik. De ander, een jongeman, beklimt een rots en werpt zich vlak onder de top ter aarde, schreeuwt en smeekt en blijft er eenentwintig dagen, om daar aan het `einde' van zijn wereld weer een `begin' te vinden. Beiden keren ze daarna terug naar hun oude leven, maar als nieuw, ze hebben hun isolement verbroken en staan open voor, ja, voor het leven zelf. Ze zijn er, voor het eerst.

Wijsheidsteksten zijn het, louteringsverhalen van een eigenaardig hooggestemde geest. Het gaat over beproevingen en offers, over splijten en geboren worden, sterven om te leven en wachten op een teken. Over het breken van de wil vooral, die `strenge macht', en al die woorden samen geven een idee wat er gebeurd is in die acht jaar stilzwijgen. De Jong heeft altijd al belangstelling getoond voor levensbeschouwelijke vragen, met een hang naar het mystieke, en hij heeft daar in die jaren kennelijk een doorbraak in beleefd. Hij is een volbloed mysticus geworden. De zoeker heeft gevonden.

Dat is een felicitatie waard. Maar misschien toch ook een condoleance. Want de nieuwe De Jong plaatst zijn ontdekkingen niet voor niets in het verstild decor van een natuur die woest en ledig is. De inktvis toont een rigoureuze weerzin tegen de moderne mensenwereld en verwijdert zich daarvan zo ver als mogelijk. Weg van het heden, het lawaai, de drukte, de technologie – het boek trekt zich terug uit alles wat in de praktijk ons dagelijkse leven uitmaakt.

Daar komt bij dat het zich ook in literaire zin terugtrekt. In elk woord kaatst een echo van de Plotinussen en de Hadewijchs, de schrijver plaatst zich met zo'n nadruk in de voetstappen van grote mystici dat hij zelfs terugvalt op hun taal. Hij laat zich als het ware oplossen in de traditie. Hij geeft zijn persoonlijkheid op, zijn verbeelding en zijn stijlgevoel, tot op het punt dat hij bijna onzichtbaar wordt. Hij bereikt je niet meer, hij ontstijgt je, en wat blijft er dan nog over?

Weinig, naar het oordeel van de critici, en zij onthalen De inktvis met welhaast onthutste stukken. Hij mag voor zichzelf dan iets heel waardevols gevonden hebben, Oek de Jong, hij heeft de literatuur erbij verloren, en de werkelijkheid trouwens ook. Hij houdt als schrijver min of meer op te bestaan.

Ruwweg is dat nu al een klein decennium de situatie. In 1997 verscheen nog wel Een man die in de toekomst springt, maar tekenend genoeg was dat een boek met losse stukken die met name over andere schrijvers gingen, plus nog een paar schilders. Uitgedaagd door hun werk dwong De Jong zichzelf zijn opvattingen over literatuur en leven neer te leggen. Maar van eigen werk kwam het niet meer, als romancier, en zou het er dan ooit nog wel van komen?

Het heeft daarom iets van een wonder dat De Jong de sprong in de toekomst, of in elk geval het heden, op de een of andere manier toch weer heeft weten te maken. Gisteren verscheen een pil van een roman, ruim vierhonderd bladzijden dik en allesbehalve hooggestemd en losgezongen. Het daalt juist af in de schemerregionen van het leven, het is wreed, om niet te zeggen nietsontziend, en daarbij staat het middenin het Nederland van onze jaren. Hokwerda's kind.

Dat kind heet Lin. Zij is aan het begin van het verhaal een vrouw van midden twintig en zij heeft de vader uit de titel sinds haar tiende jaar niet meer gezien. Haar moeder is toen met haar zus en haar het huis ontvlucht, van Friesland naar Amsterdam, en heeft haar daarna altijd afgehouden van contacten met de man. Ze woont nog steeds in Amsterdam, werkt in een modezaakje aan de Nieuwendijk en maakt zich in het eerste hoofdstuk op voor wat de kern van de roman zal worden: een fatale liefde.

Henri Kist is lasser op een boortoren in de Noordzee en al bij de eerste blik, over de schouder in een Amsterdams café, precies haar type. Goeie kop, gespierde benen, opgerolde mouwen. Paar jaar ouder ook dan zij, wat bij een man een overwicht geeft dat ze prettig vindt. Ze voelt alleen meteen dat hij dat overwicht ook zelf wel prettig vindt. Hij heeft iets dwingends en iets onberekenbaars, iets dreigends dat zomaar zou kunnen uitbarsten en – ja, wat zou er dan gebeuren?

Iets van een antwoord volgt meteen al bij hun eerste afspraakje. Als ze moe gedanst en dronken bij Henri thuis aan het vrijen raken, schrikt Lin daar ineens voor terug en weert hem af. Maar hij laat zich niet meer afweren en dwingt haar op het bed. Dan volgt een tweede ronde op de bank, hij heeft nog niet genoeg gehad, `ik kan er niks aan doen', en daarna rijdt hij haar meteen naar huis, want hij moet `vroeg op voor een klus'. Met de groeten.

Lin is woedend en beschaamd, als ze weer tot zichzelf komt, weet ze zeker dat ze hem nooit meer wil zien. Ze wil zelfs zijn bloemen niet als hij de dag daarop, weer nuchter, langskomt om zijn verontschuldigingen aan te bieden. Maar een paar weken later zoekt ze hem toch weer op, er is iets aan de man dat haar niet loslaat, en zo tekent er zich een patroon af dat zich daarna steeds weer zal herhalen. Wat hij haar ook aandoet, ze komt altijd bij hem terug.

Zo is er een hoofdstuk waarin hij haar meevraagt als hij op een avond naar `vrienden' gaat op een schip in het Westelijk Havengebied. Ze drinken daar wat in een hut en dan wordt Henri weggeroepen voor een klusje in het ruim. Lin blijft achter met een Senegalees, die ogenblikkelijk de deur op slot draait, en als ze een half uur later trillend in de auto zit, beseft ze dat ze er is ingeluisd. Door de bemanning, maar ook door Henri. Hij wist dat hij hier voor een klus kwam. Wist dat hij haar in de hut zou achterlaten, wist wellicht zelfs wat er daarna zou gebeuren. `En hoeveel heb je voor mij gekregen,' vraagt ze, en voelt dat hij liegt als hij de suggestie verontwaardigd van de hand wijst. Maar bij hem weggaan?

Eén keer waagt ze toch de sprong, na zes maanden, halverwege de roman, als Henri ook nog eens blijkt vreemd te gaan. Ze krijgt dan een verhouding met een zekere Jelmer, een jurist van goeden huize met een grote liefde voor muziek. Een heel wat schappelijker jongen eigenlijk, zachtmoedig en betrouwbaar, en je zou zo hopen dat ze bij hem bleef. Maar je ziet al meteen dat juist die aardigheid zich tegen hem zal keren, dat er iets in haar is dat om bruutheid vraagt, en na een jaar of twee begint ze Jelmer te bedriegen met, opnieuw, Henri. Ze wordt `onbetrouwbaar', net het woord dat ze Henri ooit toegebeten heeft, en vier jaar na hun eerste avond is ze toch weer bij hem terug.

Daarmee gaat de verhouding een laatste, radeloze fase in van niet meer zonder Henri kunnen zijn, maar ook nog steeds niet mét. Verzoening en vernedering wisselen elkaar steeds feller af, de spanning loopt steeds verder op, en dan kan het niet lang meer duren of er gaat gebeuren wat je eigenlijk al voelde aankomen toen Lin de eerste door Henri's huis liep en in de keuken een reusachtig hakblok zag met scherpe vleesmessen. Het is een voorwerp als het geweer aan de muur bij Tsjechov – als het eenmaal is getoond, kun je ervan op aan dat het ook wordt gebruikt. Iemand gaat dit boek niet overleven.

Hoe heeft het zover kunnen komen? Wat is hier het mechanisme, stap na stap, dat van een eerste oogopslag leidt tot een moord? Het laatste hoofdstuk stelt de vraag hardop, via een terugblik van Jelmer, en probeert het met wat doe-het-zelf psychologie. Lin onevenwichtig, Henri gewelddadig, beiden trouwens een moeilijke jeugd. Maar die verklaringen dienen vooral om je te laten zien dat je het daar dus juist niet in moet zoeken. Het gaat De Jong om iets ongrijpbaarders en tegelijk rechtstreeksers, en je krijgt daarvoor een hint mee. De titel van het boek.

Lin is `Hokwerda's kind', altijd geweest, haar zus en moeder zeggen het steeds weer. Echt helemaal haar vader. Zijzelf kan daar alleen niet over oordelen, ze was daarvoor te jong toen ze hem voor het laatst zag, en nu ze volwassen is blijkt het te laat om dat nog te veranderen. Wanneer ze op een dag naar Friesland rijdt om hem weer te ontmoeten, treft ze daar een man die het verleden zo diep weggestopt heeft dat er niets meer is te vinden van de vader die hij ooit moet zijn geweest. Die is weg en nooit meer terug te halen.

Althans, voor haar. Maar voor de lezer is er nog één bron voor dat verleden – een verhaal, meer een vignet, dat als proloog aan de roman voorafgaat. Lin is daar pas acht, het is een stille zomeravond, en haar vader schiet vol als hij haar ziet. Ze is zijn `oogappel'. Maar hij maakt zich zorgen, want ze blijft zo klein en mager, net of ze niet groeien wil. Hij vindt dat hij haar sterk moet maken en ze doen daarom een spel. Hij slingert haar over de rietkraag in de vaart langs het huis en zij zwemt terug. Hij slingert haar steeds hoger, zeven, acht keer, en zij smakt steeds ademlozer door de spiegel van het water.

Intussen denkt hij aan zijn eigen leven. Hij heeft hoofdpijn en hij voelt `het onbedwingbare' in hem loskomen. Vannacht heeft hij een ruit kapot gemept, zijn hand zit in een zwachtel, en nu overvalt hem een dwangmatige gedachte aan het kopje van zijn zwemmende meisje en hoe simpel hij dat onder water zou kunnen houden. Dan het andere kind. Zijn vrouw. Hijzelf er achteraan met een steen aan zijn voet. Hij trekt het meisje op de kant en als hij het nog één keer over de rietkraag slingert, voelt hij dat er iets heel erg verkeerd gaat. Hij hoort een scheurende klap, dan niets meer, en als hij gaat kijken is ze nergens.

Te water raken en niet boven komen. Daar is het weer, dat beeld, en van het meisje uit bezien heeft het alle trekken die daar bij De Jong vanouds bij horen. Ze is iemand die niet groeien wil, anders gezegd, die moeite heeft om aan het leven deel te nemen. Maar de staat van uitputting waarin ze deze avond raakt, maakt dat ze zich na die verdovende laatste klap ineens kan laten gaan. `Ze deed niets meer en zonk weg. [...] Ze keek omhoog naar waar het lichter was. Niets kon haar nu nog gebeuren.' Haar zintuigen gaan open, ze is hier en nu en nergens anders meer, ze is er – en dan zijn we inderdaad een eind van doe-het-zelf psychologie verwijderd. Dit is het soort elementaire, splijtende ervaring dat behoort tot het domein van de mystiek.

Daarmee vallen we ineens weer in de wereld van De inktvis, met zijn hang naar loutering. Maar Hokwerda's kind voegt daar iets cruciaals aan toe. Het meisje komt tot haar ervaring, veel te jong natuurlijk om daar woorden bij te hebben, door een vader die daar helemaal niet op uit was. Hij is ook zelf iemand die de grootste moeite heeft om aan het leven deel te nemen, hij zit opgesloten in zijn hoofd als in een kerker. Maar niets wijst erop dat hij nog hoopt op een ontsnapping. Als hij nog een uitweg ziet, dan niet die van het leven maar van de dood.

Het gevolg is dat het kind een boodschap van een ijselijke dubbelzinnigheid meekrijgt. Haar overgave aan het leven wordt geboren uit een daad van onvermogen daartoe van een ander. Haar ontdekking van het leven komt voort uit de aandrift van die ander om het te vernietigen. Bij haar geluk hoort ongeluk, er moet iets bij kapot, en zonder het zelf te beseffen draagt ze die double bind nog altijd met zich mee wanneer ze, midden twintig, over haar schouder een man ziet staan die haar een ogenblikkelijk gevoel van opwinding geeft. Ze weet het zelf niet, maar haar oog herkent een man die haar over de rietkraag kan slingeren, steeds hoger, en die dan zal toekijken hoe ze weer naar hem terugzwemt.

Zo opgeschreven klinkt dat, vrees ik, toch weer als schematische psychologie. De minnaar als vervangende vader. Kindergedrag herhaald. Maar zo ervaar je het als lezer nooit. De Jong zweeft als alwetende verteller boven de scènes, kiest de ene keer het perspectief van Lin, dan weer van Henri of een bijfiguur, en toont daardoor steeds nieuwe kanten van de gordiaanse knoop aan tegenstrijdigheden in zijn helden. Alles blijft in flux, het beeld laat zich nooit vastzetten.

Zo ga je begrijpen waarom Lin een man als Henri tegelijk begeert en vreest, zich aan hem onderwerpt en onderwijl onwillekeurig denkt: `Ik maak hem af.' Maar je gaat ook de tegenkant zien, je ontdekt hoe Henri op zijn beurt Lin vreest, hoe hij zich bedreigd voelt door het mateloze van haar overgave, hoe zijn wreedheid oplaait uit zijn onvermogen om die te beantwoorden. Je gaat hem zelfs zo goed begrijpen dat je hem niet meer veroordeelt, of nog wel veroordeelt maar toch met hem meeleeft. Je krijgt het gevoel dat je ze werkelijk leert kennen, allebei, en gaat in al hun teisterende spanningen een liefde zien die toch oprecht is, soms zelfs zuiver, en die alles op een hoogst verwarrende manier weer goedmaakt.

Nog het mooist zie je dat in de liefdesscènes, die van een aanstekelijke en in onze letteren niet vaak vertoonde dampende lust zijn. De Jong gaat wat je noemt niets uit de weg, wat meestal averechts werkt maar hier wonderwel goed uitpakt, en maakt prachtig zichtbaar wat er in die choreografieën op het spel staat. Je ziet agressie, omgezet in geilheid. Je ziet machtswil, flitsen van haat, de dreiging zelfs al van een naderende dood. Maar ook de kleine dood van het orgasme, de gedaantewisseling die alles daarna ondergaat, het openbloeien voor elkaar, het samenvallen met het leven om hen heen.

De Jong laat dat allemaal zien in een taal die rijk geschakeerd is maar nooit ijdel. Kalm en onnadrukkelijk, organisch is het woord, en dat heeft een effect waarvan je pas heel langzaam gaat beseffen hoe uitzonderlijk het is. Je kijkt naar mensen die minutieus laten zien hoe moeilijk het is in het leven op te gaan, hoe je daartoe iets in jezelf moet breken, keer op keer, en hoe gevaarlijk dat kan zijn, en hoe ontstellend kort de ogenblikken zijn dat het echt lukt, dat opgaan in het leven. Maar intussen leef je zelf met de sensatie dat je dat al uren doet, zo lang als je over die mensen leest al. Een behoedzaam opkruipend en aanhoudend gevoel van ontdekking. Ja, zo is het – ja verdomd, dit is precies hoe het leven is!

Hokwerda's kind maakt daarmee waar wat Oek de Jong, na het onthechte proza van De inktvis, al ontdekte in Een man die in de toekomst springt. Het schouwen van de mystiek staat niet buiten de werkelijkheid, het geeft daar juist een ervaring van. Het maakt de werkelijkheid dus niet hoger of mooier dan ze is, het maakt haar alleen maar transparant. Het laat zien hoe het daar echt is, in al zijn rauwheid, en het doet daarmee niet zoveel anders dan het schouwen van de literatuur. Sterker, het ligt in elkaars verlengde.

Er zijn of er niet zijn, dat is voor allebei de kwestie. Oek de Jong was er heel lang niet. Maar hij is terug. Hij is er meer dan ooit.

Oek de Jong: Hokwerda's kind. Augustus, 444 blz. €29,90 (geb)/ €24,95 (pbk)