Pelgrim met een totaal gebrek aan geheugen

De reis als pelgrimage, het hotel als klooster – bij Cees Nooteboom zijn het geen toevallige vergelijkingen. In Nootebooms hotel, een kloeke verzamelbundel van her en der gepubliceerde artikelen en essays, is `meditatie' de verbindende schakel. Een pelgrim reist de wereld rond om te mediteren, en wat dient een vrome monnik anders te doen dat in zijn eenzame kloostercel? Nooteboom doet het op reis en in hotelkamers. Niet om dichter bij `God' te komen, zoals de monnik en de pelgrim - voor hem zou het woord `God' vervangen moeten worden door het woord `raadsel'.

Dichter bij het raadsel dus. Welk raadsel? Dat kan alleen maar het wereldraadsel zijn met zijn vele vertakkingen: de tijd, de geschiedenis, het ik, de relatie tussen mens en natuur, de taal, zelfs het weer. Over al deze zaken `mediteert' Nooteboom, terwijl hij door Spanje toert, in Japan een `33-tempeltocht' onderneemt, Venetië of Zürich aandoet, een tentoonstelling van schilderijen uit de Gouden Eeuw bezoekt, Proust leest, in een bibliotheek over een oude atlas gebogen zit of in de buurt van zijn zomerhuisje op Menorca in zee zwemt.

Pelgrimage en klooster verwijzen, behalve naar Nootebooms geliefde Spanje, naar zijn eigen katholieke verleden. In de bundel krijgen we er iets over te lezen, zij het niet veel, want Nooteboom lijdt naar eigen zeggen aan `een totaal gebrek aan geheugen'. Met als gevolg een schrijver zonder jeugdherinneringen – een unicum in de Nederlandse letteren. Met moeite doemen er wat vage beelden op van kostschooljaren bij Franciscanen en Augustijnen. Gelukkige jaren, meent Nooteboom, vanwege de kennismaking met de klassieken, al is hij eerlijk genoeg om te erkennen dat dit ook een constructie achteraf zou kunnen zijn. De verbeelding als toegang tot het verleden, een noodzaak voor iemand die er ternauwernood in slaagt zichzelf op oude foto's te herkennen.

Hotels

Misschien mogen we ook zijn niet specifieke, algemene hang naar vroeger in dit licht bezien. Spanje bevalt hem, bij de eerste kennismaking in de jaren vijftig, omdat het land hem een `antieke wereld' toeschijnt. In zijn favoriete hotels (waaruit hij ooit voor deze krant zijn ideale hotel samenstelde) waardeert hij de `geur van vervlogen tijden'. En zie zijn opgetogenheid (`balsem en troost'), als hem op een tentoonstelling van antieke sculpturen een `gevoel van herkenning' en een `vermoeden van continuïteit' ten deel vallen – precies de dingen die iemand zonder geheugen in zijn eigen leven moet missen.

Maar ook zonder deze handicap kan iedereen met een beetje gevoel voor historie navoelen wat Nooteboom bedoelt. Minder goed lukt mij dat zodra de meditaties een hogere vlucht nemen. Wat betekent bijvoorbeeld: `Zonder het woord tijd valt er haast niets te zeggen'? Hier is de meditatie zelf raadselachtig geworden, net als bij de vraag hoe het komt dat de tijd in het Nederlands `mannelijk' is. Ik zou het niet weten, maar begrijp evenmin waar Nooteboom zich druk om maakt. In allerlei andere talen is het woord `tijd' toch ook mannelijk?

Een stuk eenvoudiger te vatten is Nootebooms suggestie dat God `de mooiste fictie van de mensheid' is. Of dat het in meesterlijke kunst toch altijd gaat om het `opheffen' van de tijd. Maar dat komt omdat we nu te maken hebben met al dan niet opgesmukte gemeenplaatsen. Net als in zijn laatste roman Allerzielen kan Nooteboom er in deze bundel niet altijd aan weerstaan. Helaas, want tegelijkertijd is duidelijk dat hij de pseudo-diepzinnige pretentie van wijze pelgrim of nomadisch denker, die tot zulke ontsporingen leidt, helemaal niet nodig heeft.

Borges

Nooteboom is een prima stilist, die elegante volzinnen schrijft waarin niemand hoeft te verdwalen. Hij kan geestig zijn en subtiel. Denkend aan de mogelijkheid van een hotelbrand, schrijft hij terloops over `vallende lichamen, wuivende mensen die niet de bedoeling hadden iemand te groeten', terwijl elders, iets minder terloops, de winter wordt vergeleken met `een Chinese aquarellist die zijn kleuren heeft thuisgelaten'.

Nooteboom heeft smaak, getuige de verwijzing naar een prachtige uitspraak van Borges, die ooit zou hebben gezegd `dat als je je de eeuwigheid wilt voorstellen, je moet denken aan een engel die met zijn vleugel over een blok marmer strijkt, net zolang tot het helemaal verdwenen is'. En hoewel hij, niet zonder koketterie, zichzelf naar waarheid een `autodidact' noemt en een `amateur', beschikt hij over voldoende eruditie (desnoods geleend van een ander, mét bronvermelding en dankbetuiging) om zijn lezers ook nog het een en ander te leren.

Nootebooms hotel is een gebouw met zeer ongelijksoortige kamers: reisverhalen, veredelde recensies, autobiografische fragmenten, een interview (met Albert Helman over diens vriendschap met Slauerhoff), beschouwingen over fotografie en een grote afdeling `Spanje'. Voor elk wat wils.

Enkele van de stukken over andere schrijvers (in de afdelingen `Reizen' en `Woorden over woorden') bevielen mij het best. Dat over Tim Robinson bijvoorbeeld, auteur van een tweedelig en zeer minutieus boek over de mij onbekende Ierse Araneilanden. Nooteboom reist er heen, struint rond in de stromende regen en bezoekt naderhand Robinson en diens vrouw. En ook al interesseert het onderwerp me eigenlijk geen zier, ik kreeg meteen zin om die boeken te gaan lezen. Hetzelfde geldt voor Jahrestage, het magnum opus van Uwe Johnson, dankzij Nootebooms verslag van zijn literaire pelgrimage (ditmaal zonder opzichtige meditatie) naar het Engelse Sheerness, waar de Duitse auteur zijn treurige laatste jaren heeft gesleten.

Het hoogtepunt van de bundel ligt dichter bij huis en bestaat uit een werkelijk schitterend stuk over W.F. Hermans, geschreven met evenveel ontzag als vriendschap. Een hachelijke combinatie, waarmee Nooteboom goed overweg blijkt te kunnen, zonder zichzelf of Hermans tekort te doen. Hermans die bij elk bezoek op Nootebooms Amsterdamse vrienden begint te schelden (`tegenspreken was niet echt de bedoeling'), maar die hem wel uitnodigt in een drie-sterrenrestaurant, en die om een idiote reden ruzie krijgt met zijn Franse uitgever. Wanneer deze om raad aanklopt bij Nooteboom, lezen we: `Hoe leg je Hermans uit?'

Ja, dat is niet gemakkelijk. Maar met dit liefdevolle, genuanceerde portret heeft Nooteboom bewezen dat hij het kan.

Cees Nooteboom. Nootebooms hotel. Atlas. 475 blz. €24,90

    • Arnold Heumakers