Niet langer lekker jagen

Botswana zit met zijn Bosjesmannen in z'n maag. Wat te doen met een bevolkingsgroep die economisch inactief is? Na hen jarenlang met rust in de Kalahari te hebben gelaten kiest de overheid nu voor aanpassing onder zachte dwang. Subsistentie moet plaatsmaken voor de markt.

Chief Tantapi is een oud gerimpeld mannetje van drie turven hoog. Hij draagt een vilten hoed, een sjaal en een versleten colbertje met het label Jeán Pierre op de mouw. Kort kroeshaar zit in vrolijke plukjes op zijn hoofd. Wie een foto van de baas wil maken moet betalen: ook de Bosjesmannen hebben de waarde van het geld ontdekt nu ze moeten overschakelen van landbouw voor eigen gebruik naar de markteconomie. Ze mogen niet langer lekker jagen op springbokjes, maar moeten rode bieten verbouwen en stenen bakken. Confectiepakken dragen in plaats van lendendoekjes.

Drie uur rijden ten noorden van de hoofdstad Gaborone, over de hobbelige zandpaden van de Kalahari, ligt het gehucht Kaudwane. Het dorp werd zeven jaar geleden door de regering aangelegd en vormt onderdeel van een grootschalig project van gedwongen verhuizing (resettlement) van alle 50.000 à 60.000 Botswaanse Bosjesmannen, hier de Basarwa genoemd. Momenteel bevindt de operatie zich in de laatste fase. Volgens overheidsfunctionarissen verzetten nog enige tientallen ,,koppigen'' zich nog tegen de migratie, de anderen zijn inmiddels neergestreken in een van de 63 dorpen, die allemaal aan de rand van de zogenoemde CKGR liggen, de Central Kalahari Game Reserve.

Voor de Basarwa is bezoek uit `de stad' nog altijd een schok. De regeringsfunctionarissen die met een vaartje van 100 kilometer per uur in hun fourwheel drives over de savanne scheuren, rijden een gemeenschap binnen die nog niet zo lang geleden een `prehistorisch' bestaan leidde.

Wat vinden de Bosjesmannen zelf van de Grote Verandering in hun leven? Luister naar de mannen, chief Tantapi – wat `hagedis' betekent – houdt een dorpsvergadering. Iedereen mag onder het dak van de boma, een gebouw zonder muren, zijn zegje doen. Daar zitten ze dan, op boomstronken en houten bankjes: verlegen kerels, gekleed uit de zak van Max. De aanwezigheid van de ambtenaren, behorend tot de Batswana – de overgrote meerderheid van de 1,7 miljoen inwoners van Botswana – boezemt angst in. Veel woorden komen er daarom niet uit de aanwezigen. De chief zelf zegt dat zijn bestaan nu ,,totaal anders is dan voorheen, en ook veel beter''. Hij noemt de waterput, het schooltje en de kliniek in het dorp. ,,In ons vorige leven jaagden we en verzamelden voedsel van het veld. Dokters en medicijnen hadden we niet. Nu wel. Wij willen niet terug.''

De nomadische Bosjesmannen leefden tot voor kort nog grotendeels zoals hun voorzaten 20.000 jaar geleden: van de jacht en het verzamelen van vruchten, wortels en noten. Geld en handel was hen vreemd. Een productiesysteem, reguliere landbouw of bezit kenden ze niet, aan lezen en schrijven hadden ze geen behoefte, evenmin als aan geweven kleren en vaste huizen.

Ze stonden daarin niet alleen. De Aboriginals in Australië, de Papoea's in Indonesië, de Masai in Kenia: verspreid over de hele wereld wonen nog enige tientallen volkeren die geen deel uitmaken van de moderne maatschappij, gedefinieerd als een systeem van productie en consumptie met geld als trait d'union. Deze `primitieve' volkeren leven nog bijna net zo als hun voorgeslachten vele duizenden jaren geleden. In vrijwel alle gevallen gaat het om stammen die zich wel degelijk bewust zijn van het moderne alternatief. Ze zijn niet wereldvreemd, maar houden liever vast aan hun traditionele levenswijze.

Hoe moeten regeringen zich hierbij opstellen? Moeten ze streven naar integratie of de stammen hun gang laten gaan? Als de Bosjesmannen en de andere volkeren in hun eigen arcadische omstandigheden blijven leven en uit eigen vrije wil een uitzondering vormen in hun land – het begrip staat is hen overigens ook vreemd – dan wordt hen ook een aantal fundamentele verworvenheden onthouden. In de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties staat immers dat iedere wereldburger onder meer recht heeft op eten, onderdak, goede gezondheidszorg en onderwijs (artikel 25 en 26).

Indien de `primitieven' volledig buiten het overheidssysteem blijven kan de desbetreffende regering van onverschilligheid en schending van de mensenrechten worden beschuldigd. Bij het aanbieden van eventuele voorzieningen als waterputten of medische hulp worden de `primitieven' daarentegen in de moderne constellatie getrokken. Bovendien rijst dan de vraag: wie betaalt het? Is het redelijk een bevolkingsgroep die geen toegevoegde waarde aan de economie levert wel de vruchten te laten plukken van de opbrengst van diezelfde economie?

De Botswaanse minister Margaret Nasha (grondbezit en gemeentezaken) verwoordt in hoofdstad Gaborone haar dilemma. Als zij niets doet voor de Basarwa krijgt ze kritiek van de Verenigde Naties omdat de Bosjesmannen onderwijs en gezondheidszorg wordt onthouden. Bemoeit ze zich wel met het leven van de Basarwa, dan klagen mensenrechtenorganisaties zoals Survival International over het `vernietigen van een unieke cultuur'.

Botswana heeft er nu voor gekozen de Basarwa te integreren, of ze dat willen of niet, en heeft daar gedwongen verhuizing aan gekoppeld. De 50.000 Bosjesmannen leefden verspreid over een gebied even groot als de helft van Frankrijk. Het was ondoenlijk onderwijs, gezondheidszorg en andere collectieve voorzieningen op deze manier aan te bieden, zo legt Nasha uit. Resettlement was volgens haar de enige oplossing.

Nasha: ,,Survival International zegt: `Laat de Basarwa leven zoals ze honderd jaar geleden leefden'. Maar zeg mij: wie leeft er nu nog als honderd jaar geleden? Als we dat zouden doen zou de hele wereld over ons heenvallen wegens verwaarlozing van een bevolkingsgroep.'' De goedgebekte minister vindt dat er veel misleiding van de Bosjesmannen plaatsheeft, door buitenlandse actievoerders en de eigen leiders. ,,Neem Roy, een van hun voormannen. Hij heeft nooit in de Kalahari gewoond, rijdt in een grote auto, draagt Nike-schoenen en stuurt zijn kinderen naar een Engelse school. En híj komt andere vertellen dat ze hun kinderen níet naar school moeten sturen.'' Volgens Nasha moet Roy de `strijd' voortzetten om zijn eigen levensstijl te kunnen blijven bekostigen en heeft hij daarom juist geen belang bij een oplossing.

Maar er is nog een andere reden waarom de Bosjesmannen de Kalahari zouden moeten verlaten en dat is de vondst van diamanten onder het zand. Minister Nasha spreekt niet tegen dat in de half-woestijn kimberliet is aangetroffen, het gesteente waarin zich diamanten bevinden, maar ze voegt er aan toe dat het diamanterts niet rijk genoeg bleek te zijn om tot lonende exploitatie over te gaan. Waarnemers in Botswana – diamantland nummer 1 in de wereld – sluiten niet uit dat elders in de uitgestrekte habitat van de Basarwa alsnog winstgevende edelstenen worden gevonden. In dat geval zou het goed uitkomen als de Bosjesmannen, die sta-in-de-wegs, alvast zijn vertrokken.

De regering van Botswana stelt dat er nauwelijks dwang aan de verhuizing van de Bosjesmannen te pas komt. Survival International komt tot een andere conclusie. De organisatie sprak de afgelopen jaren, buiten de regering om, met verscheidene Basarwa over de volksverhuizing en daar kwamen schrijnende verhalen uit. De Bosjesmannen beklagen zich niet alleen over hun gedwongen verhuizing, ze maken ook gewag van intimidatie en zware en langdurige mishandelingen. (www.survival-international.org).

Wie spreekt de waarheid? Het blijkt ter plekke niet verifieerbaar. Over de lippen van chief Tantapi en zijn Basarwa komt geen onvertogen woord. Terwijl de overheidsfunctionarissen – uiteraard – het programma van resettlement uitvoerig prijzen. De enige dissonant is een krijsende vrouw die Tantapi verwijt dat hij veel te lage eisen stelt. Ze wil meer voorzieningen, meer geld. De chief glimlacht haar tirade weg, kennelijk is het niet de eerst keer dat ze opponeert. Aan de stoffige paden van Kaudwane liggen de goede bedoelingen van de regering. Er is een school in een stenen gebouw, waar de dorpsjeugd basisonderricht krijgt. Voor voortgezet onderwijs moeten ze naar de stad. De leerlingen maken een enthousiaste indruk, ze zijn blij dat ze naar school kunnen, zeggen ze. Verderop liggen werkplaatsen waar de Basarwa een vak kunnen leren. Veel animo is er nog niet. Voor de leerlooierij ligt één vel te drogen, van leerlingen geen spoor. In een broeikas lopen jonge plantjes uit, rode bieten, andijvie en andere soorten. De leraar vertelt er gedreven over, maar hij lijkt er zelf meer schik in te hebben dan de stille Basarwa.

Alleen de steenproductie is populair onder de dorpelingen. Zeker vijftien van hen, mannen en vrouwen, zijn druk bezig met een eenvoudig mechanisch apparaat, waarmee ze van cement stenen maken die in de buitenlucht moeten drogen. Met de stenen kunnen ze later een eigen huis bouwen en dat blijkt zeer gewild. Want woningen hebben ze niet cadeau gekregen, de Basarwa leven zoals voorheen in simpele hutten en tenten. De stenen huizen die in Kaudwane staan worden bewoond door de ambtenaren.

Aan de rand van het dorp grazen koeien en geiten. Alle Basarwa-gezinnen hebben van de regering vee ontvangen waarmee ze geacht worden verder te fokken. Anders dan de Batswana, die van oudsher veeboeren zijn, hebben de Bosjesmannen zich nooit met veeteelt bezig gehouden. Het is wennen voor ze, dat valt aan hun houding bij de waterplaats waar de dieren komen drinken, te merken. Het drijven van een kudde is even iets anders dan jagen op loslopend wild.

Aan het eind van het bezoek komt chief Tantapi met een onthulling: hij geeft volmondig toe dat hij zijn eigen kinderen zo'n dertig jaar geleden al naar school stuurde in Gaborone. Z'n zoons zijn goed terecht gekomen, zegt de oude baas trots. De leider der Bosjesmannen had zelf allang voor het moderne leven gekozen.