Je genen kunnen de pot op

Steven Pinker legt nog één keer uit dat de menselijke natuuur geen onbeschreven blad is. Maar dat betekent nog niet dat de mens een slaaf is van zijn erfelijke eigenschappen.

Het is alweer bijna een saai onderwerp, die invloed van de genen op het menselijk bestaan. Wie gelooft er nu nog in het idee dat de menselijke natuur een tabula rasa is, een leeg blad dat volkomen wordt volgeschreven door de omgeving. In dagelijks leven is erfelijkheid van eigenschappen nooit uit het gesprek verdwenen (`dat dwarse heeft-ie vast van moederskant!'). En in de wetenschap zou die theorie van het onbeschreven blad een ontkenning zijn van meer dan honderd jaar onderzoek naar de evolutie. De mens is een dier met een verleden, zijn lichaam en brein zijn ontstaan als biologische oplossingen voor problemen in de verre prehistorie. En net als in het dagelijks leven geldt ook in de wetenschap predestinatie op grond van genetische aanleg als flauwekul.

Het echte debat gaat over de manier waaróp de omgeving aangeboren neigingen vormgeeft. De psycholoog en criminoloog Adrian Raine adviseert bijvoorbeeld om kinderen met een hoge prikkelingsdrempel, die op zoek naar sensatie vaak in criminele avonturen terechtkomen, al op jonge leeftijd door te geleiden naar nuttiger bezigheden, zoals de mijnopruimingsdienst. De reactie van de omgeving kan zo veel verschil maken voor de levensloop.

Wie zit er dan te wachten op een boek dat nog eens flink tegen dat dode paard van het onbeschreven blad aanschopt, dat waanidee dat in de opwinding van de jaren zestig en zeventig een tijdje opgang maakte? Cognitief psycholoog Steven Pinker begint The Blank Slate. The Modern Denial of Human Nature, dan ook met de retorische uitroep `Not another book on nature and nurture!'.

En inderdaad, het eerste deel van zijn uitstekend geschreven boek roept de vraag op: waarom? Geliefde vijanden als de filosoof Jean-Jacques Rousseau (met zijn ideaal van de `nobele wilde'), de socioloog Emile Durkheim (`iedere directe psychologische verklaring van een sociaal fenomeen is een foute verklaring') en de antropologe Margaret Mead (`de menselijke natuur is het meest ongedifferentieerde ruwe materiaal') passeren de revue en Pinker legt het allemaal nog eens uit.

Zonder aangeboren mechanismen zou een mens niets kunnen leren. Onderzoek naar tweelingen wijst uit dat in vrijwel alle menselijke eigenschappen een erfelijke component meespeelt. En het onbeschreven blad is ook gewoon biologisch onmogelijk: als de menselijke natuur werkelijk geheel en al ingevuld zou worden door de omgeving zou homo sapiens volkomen machteloos hebben gestaan tegenover zijn omgeving. En nog steeds: ieder mens zou een willoos instrument zijn in handen van een handige manipulator. Ook beschrijft Pinker maar weer eens de jaren-zeventig-ruzie tussen sociobiologen en radicaal linkse wetenschappers. Leuk voor wie het nog niet wist, maar waarom schrijft Pinker dat allemaal nòg eens op?

Denkfout

Dat werd mij pas duidelijk op pagina 166, in het deel `Human nature with a human face'. In eerdere interviews en geschriften heeft Pinker al vaak gezegd dat hij zelf uitmaakt wat hij met zijn leven doet: `my genes can jump into the lake!', vrij vertaald: mijn genen kunnen de pot op. Pinker heeft bijvoorbeeld bewust geen kinderen, zoals veel meer mensen, maar evolutionair gezien is dat toch niet echt een goede keuze. Die kwestie blijkt het echte onderwerp van The Blank Slate: hoe is het mogelijk dat mensen boven hun genetisch programma uitstijgen? Op pagina 166 legt Pinker uit dat die vraag een symptoom is van het oude onbeschreven-blad-denken. Want wie diep in zijn hart de menselijke geest eigenlijk nog altijd ziet als een tabula rasa, denkt al gauw dat elke aangeboren neiging in die geest dan het rijk alleen heeft. `En dan moet het wel een onafwendbare drift zijn, omdat er niets op het verder onbeschreven blad bestaat dat die drift teniet kan doen.' Daar gaat de menselijke vrijheid.

Het betreft hier een denkfout, die nog steeds invloedrijk is, juist omdat het tabula-rasa-denken zo diep in ons geworteld is, dieper dan we zelf denken. Terwijl toch, zoals Pinker helder uitlegt, `als de geest een systeem is met vele onderdelen, dan is een aangeboren verlangen slechts een van de vele componenten. Sommige schenken ons hebzucht, wellust of kwaadaardigheid, maar andere schenken ons sympathie, een vooruitziende blik of de mogelijkheid om te leren van onze ervaringen.' We zijn dus helemaal niet overgeleverd aan onze genetische impulsen, juist omdat we er zovéél hebben. Ineens wordt duidelijk waarom Pinker het nodig vond om dat tabula-rasa-denken eerst nog eens flink af te tuigen.

En het mooie is: de menselijke emotionele en verstandelijke mechanismen zijn ook verre van star. Al deze informatieverwerkende systemen kunnen worden beïnvloed en anders worden `afgesteld'. Kijk eens naar de vooruitgang die de mens heeft geboekt, schrijft Pinker. De kring van mensen die op morele wijze benaderd dienen te worden, is steeds groter geworden: van de familie naar het dorp, de stam, de natie, het ras tot aan de mensheid als geheel. Deze enorme verandering in de gevoeligheid bij zeer grote groepen mensen kon ontstaan uit de simpele aanpassing van `een enkele schuif op het morele apparaatje' waarmee het toepassingsbereik kan worden veranderd. De evolutie heeft een uitermate complexe en flexibele menselijke natuur opgeleverd, geen gepredestineerde machine, dat is Pinkers goed onderbouwde boodschap.

Stiefouders

Iedereen kan dus zijn genen in het meer laten springen, met behulp van àndere genetische bepaalde mentale `apparaatjes', zoals Pinker ze noemt: gadgets. Een beroemde en omstreden kwestie is het feit dat stiefouders vaker hun kinderen mishandelen dan biologische ouders. Evolutionair gezien is dat heel goed verklaarbaar, zeggen de sociobiologen, want waarom zou je investeren in andermans nageslacht? Schande, roepen de tegenstanders, er zijn miljoenen stiefouders die wèl van hun stiefkinderen houden en goed voor hen zorgen. Precies, want er is ook nog zoiets als een aangeboren neiging om van kinderen (van welke ouder dan ook) te houden. En zo zijn er nog wel een paar remmingen die kunnen verhinderen dat iemand een kind slaat. Verklarend onderzoek moet dus bepalen wanneer de ene neiging sterker wordt dan de andere. Daarbij gaat het om heel gewoon sociaal-wetenschappelijk onderzoek, waarover zo vaak smalend wordt gedaan in sociobiologische en evolutionair-psychologische kring (ook ruimschoots door Pinker trouwens).

En zo bespreekt Pinker een groot aantal hete hangijzers: strafrechtelijke verantwoordelijkheid voor gedrag, nihilisme, altruïsme, utopisme, geweld en verkrachting, mannelijkheid en vrouwelijkheid, opvoeding en het failliet van het (post-)modernisme in de kunst. Het zijn niet allemaal nieuwe gedachten, maar ze zijn wel bijna altijd de moeite waard. Zoals het idee dat verminderde toerekeningsvatbaarheid ooit werd ingevoerd als iemand niet in staat was de wet te begrijpen. Tegenwoordig geldt die categorie echter niet eens zozeer meer de cognitieve toestand van de verdachte, maar de verklaring van zijn gedrag. Vreemd, vindt Pinker, want dan loop je al snel vast: ofwel onze handelingen zijn gedetermineerd en dan zijn we er niet zelf verantwoordelijk voor, of ze zijn het gevolg van toevallige gebeurtenissen en dan zijn we natuurlijk óók niet verantwoordelijk.

Jammer is wel dat Pinker zijn scherpe inzicht en heldere stijl niet gebruikt om een intrigerend gat in de erfelijkheidsbetogen te dichten. In het onderzoek naar erfelijkheid is een directe bepaling van de mate waarin een eigenschap erfelijk is, onmogelijk. Onderzocht worden altijd de verschillen in die eigenschap binnen een bepaalde groep. Als de erfelijkheid van IQ dus 70 procent is, betekent dat niet dat iemands IQ voor 70 procent wordt bepaald door zijn genen, maar slechts dat het gemiddelde verschil in IQ met anderen voor 70 procent op genen is terug te voeren. Al die percentages zijn dus zéér relatief, want als de omstandigheden anders worden kan er ineens ook veel veranderen aan de variatie in een bevolking en aan erfelijkheidsscores. Zo is bijvoorbeeld de erfelijke bepaaldheid van (de variatie in) intelligentie nu véél groter dan in de tijd van onze overgrootvaders, toen de meeste kinderen amper naar school gingen en veel erfelijk begaafde kinderen niet kans kregen hun intelligentie te ontwikkelen. Vooral sociale klasse bepaalde toen de ontwikkelingsmogelijkheden.

En zo bepalen omgevingsfactoren dus direct de mate van erfelijkheid van de (verschillen in de) eigenschappen. Het is precies dit inzicht waardoor veel biologen tegenwoordig zeggen dat het contrast tussen nurture en nature, tussen genen en omgeving, vals is. Zo simpel is de overwinning van genetica over sociale wetenschap nu ook weer niet.

Steven Pinker: The Blank slate. The Modern Denial of Human Nature. Allen Lane/Penguin 509 blz. €45,95 (geb.). De Nederlandse vertaling verschijnt in maart 2003 bij Contact.