In de ban van Japan

De stroom publicaties over de Verenigde Oost-Indische Compagnie is verrijkt met een biografie van een van haar meest interessante dienaren: Isaac Titsingh. Titsingh was ooggetuige in een turbulente tijd van economische en diplomatieke problemen in de Oost en speelde daarin ook een actieve rol. Zijn grote belezenheid en brede ontwikkeling maken hem uniek binnen de geschiedenis van de Compagnie. Uit zijn correspondentie komt hij bovendien naar voren als een oorspronkelijk denker en een humoristisch schrijver.

Na een opleiding als chirurgijn en een studie rechten in Leiden vertrok de twintigjarige Isaac als onderkoopman naar Batavia. Dertien jaar lang vervulde hij verschillende administratief-juridische functies, waarna hij benoemd werd als hoogste in rang van de VOC-handel in Japan. Zijn interesse voor het land was onmiddellijk gewekt toen hij zich vestigde op Dejima in de baai van Nagasaki. Daar begon hij een uitgebreide, wetenschappelijk opgezette verzameling over Japan aan te leggen, die bestond uit boeken, handschriften, kaarten, prenten, munten en speciaal voor hem vervaardigde tekeningen van volk, flora en fauna. Daarnaast bouwde hij een uitgebreid netwerk op met zogeheten rangakusha, kenners van Holland en Europa.

Titsingh verbleef ongeveer vier jaar in Japan. Daarna werd hij benoemd tot directeur van de VOC-vestiging Chinsura in Bengalen. Ook hier maakte hij al snel deel uit van een intellectuele elite. Titsingh had er voldoende tijd om zijn verzameling uit te breiden en zijn studie van Japan voort te zetten.

Sprookjes

Terug in Batavia, dat volgens hem tot `eene verarmde en uyt-geputte colonie' was verworden, maakte hij deel uit van het hoogste bestuursorgaan van de VOC in Azië. Hij werd zelfs voorgedragen voor de hoogste post, die van gouverneur-generaal, maar weigerde en wilde repatriëren. De VOC zond hem echter als ambassadeur naar Peking, waar hij op zijn vijftigste verjaardag aankwam. Met zijn belezenheid en kennis van de Japanse en Chinese taal en cultuur wist hij daar grote bewondering te oogsten. In december 1796 vertrok hij eindelijk met een Engels schip naar Europa. Om op krachten te komen – het klimaat in Batavia had zijn gezondheid behoorlijk aangetast – pendelde Titsingh een jaar lang tussen Londen en het kuuroord Bath. Pas in 1801 kon hij terugkeren naar zijn geboortestad Amsterdam. Uiteindelijk vestigde hij zich in Parijs, het Europese Mekka voor oriëntalisten, waar hij in 1812 overleed.

Het was Titsinghs grote wens zijn Beschrijving van Japan in het Nederlands, Engels en Frans in druk te laten verschijnen. Op het moment van zijn overlijden lagen er drie lijvige manuscripten te wachten op publicatie. In zijn werk had hij behalve zijn eigen waarnemingen ook belangrijke wetenschappelijke Japanse werken verwerkt. Het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten achtte publicatie echter ongewenst. Titsingh baseerde zich, zo meldt het rapport uit 1812, op werken die `in het Oosten van Aziën thuis behooren en dus opgevuld zijn met bijgeloovigen onzin en met ellendige sprookjes'. De Beschrijving is nooit integraal in druk verschenen, ook al stond het regelmatig op de agenda van het Instituut en hadden verschillende geleerden gewezen op het belang ervan. Omstreeks het midden van de negentiende eeuw raakte Titsinghs wetenschappelijke werk overschaduwd door dat van de Duitse geneesheer Philipp Franz von Siebold, die van 1823 tot 1829 op Dejima als arts in dienst van het Nederlandse ministerie van Koloniën had gewerkt. Titsinghs verzameling was een al even droevig lot beschoren als zijn manuscripten: zij raakte wereldwijd verspreid.

Correspondentie

Uit de categorieën die in Titsinghs Beschrijving aan bod komen blijkt de grote diversiteit van zijn verzameling, die de basis vormde van deze omvangrijke studie. Politieke geschiedenis, taal, natuurlijke historie, tijdrekenkunde, filosofie, poëzie, geneeskunde: dit is nog maar een fractie van de onderwerpen die in Titsinghs manuscript aan bod komen.

Slechts een klein deel van zijn japanologische werk werd na zijn dood gepubliceerd, zij het onvolledig en verminkt. Tijdens zijn leven waren diverse artikelen over Japan verschenen in de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Ze handelen over onderwerpen als de tijdrekening in Azië, de weersgesteldheid in Japan, de bereiding van sake en soja en de Japanse taal. Tussen 1819 en 1822 verschenen in Parijs bij Nepveu verschillende Franse vertalingen die Titsingh maakte van Japanse werken. Het waren vooral beschrijvingen van het land en zijn bevolking, en van de shôguns en hun hof. Pas twaalf jaar na Titsinghs dood verscheen voor het eerst een Nederlandse uitgave in boekvorm, met de titel Bijzonderheden over Japan, een bijna volledige vertaling van het Engelse Illustrations of Japan uit 1822. Dit boek was weer gebaseerd op de in druk verschenen Franse vertalingen die Titsingh zelf had gemaakt van zijn eerste Nederlandse versie.

Lequins biografie van Titsingh is het resultaat van vijfentwintig jaar onderzoek in Nederland, Frankrijk, Engeland, Japan en Amerika. Voor een belangrijk deel is zij gebaseerd op Titsinghs omvangrijke particuliere correspondentie, die de auteur tien jaar geleden publiceerde. Hoewel het onderwerp interessant genoeg is om te blijven doorlezen, is op de structuur en stijl van het boek wel wat aan te merken. Lequin neemt veel citaten op van Titsingh en tijdgenoten in hun oorspronkelijke vorm. Het is waar, de brieven zijn sprankelend geschreven, maar de opeenvolging van citaten, aaneengeregen door commentaar van de auteur, maakt het boek fragmentarisch.

Lequin is ontegenzeggelijk de grootste kenner van Titsingh. Hij deed interessante ontdekkingen over diens leven en werk. Zo traceerde hij het Nederlandstalige manuscript van de Beschrijving van Japan. Helaas verliest hij zich regelmatig in details en slecht geformuleerde filosofische bespiegelingen. Storend zijn de kromme zinnen, niet passende beeldspraken en fouten in de spelling. Ondanks deze tekortkomingen is de biografie een belangrijke aanvulling op de literatuur over de vroege contacten tussen Europa en Japan. Bovendien krijgt Titsingh alsnog de eer die hem toekomt. Zijn Japancollectie, en niet die van Von Siebold, was de eerste volgens wetenschappelijke principes in Japan bijeengebrachte verzameling.

Frank Lequin: Isaac Titsingh (1745-1812). Een passie voor Japan. Leven en werk van de grondlegger van de Europese Japanologie. Canaletto/ Repro-Holland, 290 blz. €41,–