Ik ben een kind van drie!

Annemarie Prins deinst niet terug voor lijfelijkheden in haar familiegeschiedenis. `Mensen zijn van vlees en bloed, en ik verplaats me graag in dat vlees en bloed.'

In een reusachtige doos van glas en kleurtjes woont Annemarie Prins (1932), hoog in de lucht en ver boven het water van het IJ. Als ze in haar huiskamer overeind komt en voor haar raam gaat staan, tekent haar silhouet zich scherp af tegen het grijze licht.

De voortrazende wolken zijn een fraai decor voor een betoog over haar derde carrière, compleet met theatrale uithalen en opgewonden gebaren. Nadat ze als regisseuse sinds de jaren zestig haar sporen had verdiend, maakte Annemarie Prins begin jaren negentig een glorieuze comeback als actrice – ze speelde Calamity Jane in een gelijknamige voorstelling, en had een kleine, maar opmerkelijke rol in de televisieserie Oud Geld, als eigenzinnige oude douairière. Twee seizoenen speelde ze met veel succes de door haarzelf geschreven monoloog Harmoniehof, waarvoor ze in 1998 de Albert van Dalsumprijs kreeg.

Nu verschijnt haar eerste roman, en alles voelt weer helemaal nieuw. ,,Ik ben een kind van drie', roept ze met pathos en een grote grijns. ,,Maar wel met de rugzak van een vrouw van bijna zeventig. Ha!'

Nelleke Noordervliet, die ze ooit regisseerde bij het Leids studententoneel (`een meisje was het, zo jong') en met wie ze opnieuw contact had opgenomen, raadde haar aan door te gaan met schrijven. Ze beval Annemarie Prins aan bij haar eigen uitgeefster, Tilly Hermans van uitgeverij Augustus. Klinkende namen allebei, Prins moet nog steeds giechelen bij het idee. ,,Schrijven was voor mij iets onbereikbaars; dat deden echte mensen. Ik niet, ik was maar een dilettant met een leuk schetsje op haar naam. Ik zei tegen Tilly en Nelleke: jullie trippen op iets wat er niet is. Harmoniehof was beginnersgeluk, en nu ben ik leeg.

,,Aan de andere kant; een makelaar tussen woorden heb ik me altijd al gevoeld, ook als theatermaker. Ik zoek een haakje in de werkelijkheid en hang daar mijn voorstellingen aan op. Dat ging zo bij Harmoniehof, en wie weet zou het met een boek ook kunnen lukken. En eigenlijk was het ook mijn eer te na om het niet te proberen.'

Dienstbode

Net als voor Harmoniehof dook Annemarie Prins voor haar boek in haar eigen jeugd en het verleden van haar moeder, maar ze dwaalde vervolgens ver van de werkelijkheid af. De moeder in Zelfbeheersing is een Duitse met een gezichtje als een Käthe Kruse-pop die als jong meisje met de trein naar het ongewisse Nederland wordt gestuurd, naar een Haagse dienstbodebetrekking. `Selbstbeherrschung' staat er in krulletters op haar schort.

,,Maar', zegt Prins, ,,als Harmoniehof een vlinder was, is Zelfbeheersing een hele zwerm vlinders.' Want behalve over de angstige moeder, de introverte vader en Prins' eigen rebelse jeugd in het stijve huis aan de Harmoniehof in Amsterdam, gaat het in het boek over meer. Het van kinderen wemelende Lutherse predikantengezin waar de moeder uit voort komt, bijvoorbeeld, broers die in de Eerste Wereldoorlog sneuvelen en de ontmoeting tussen de ouders, `louter stank en angst'. Het gaat ook over het sterven van de vader, de zelfmoord van de moeder in het gekkenhuis, en de ontmaagding van de dochter/vertelster in een ander gekkenhuis – `mijn buik bonst door het hele paviljoen'.

Prins beperkt zich in Zelfbeheersing niet tot haar eigen levensspanne. Ze wordt een `precarnatie' om met de toekomstige moeder mee te kunnen reizen naar Holland, en om aanwezig te zijn bij haar eigen moeizame conceptie: `Voor de daad moet hij opschuiven, naar boven denkt hij en zij naar beneden, of is het omgekeerd.' En aan het slot wordt ze een engelachtige, om met de moeder in haar kist naar den hoge op te stijgen.

,,Ik heb mezelf een vadertje en moedertje geschreven, want feitelijk weet ik helemaal niet zoveel van hun levens af. Mijn ouders zijn een voedingsbodem geweest, maar het meeste is verzonnen. Al tikkend zeilde ik weg uit de realiteit. Dat hele fotoalbum dat ter sprake komt bestaat niet, een figuur als de ziekenbroeder van mijn moeder heb ik uit mijn duim gezogen. Ik ben altijd goed geweest in het aantrekken van rare mannen, verzonnen of niet.

,,Mijn vader is vrij jong dood gegaan, ik heb nooit een gesprek met hem kunnen voeren en met mijn moeder al evenmin. Als kind heb ik de oorlog weggedroomd, ik leefde in dat gesloten huis bij de gratie van verbeeldingskracht. Er werd in die dagen niet gepraat, dat deed je niet. Je voelde dat er onder de oppervlakte van alles speelde, maar je zei er nooit wat over. Wat ik aan deuren geluisterd heb, wat ik aan vuiligheid heb uitgehaald, om maar contact te provoceren! Ik voosde in het rond, juist als ik wist dat mijn moeder op de loer stond. Om aandacht te vragen, te spelen met vuur.'

Het portret van uw moeder is milder dan in `Harmoniehof'.

,,Het is waar dat ik nu anders tegenover mijn moeder sta dan een paar jaar geleden. Ik heb lang achter een façade van stoerheid geleefd, vooral toen ik jonger was. Nu heb ik dat laten varen. Sinds kort kan ik boven mijn eigen tegendraadsheid uitstijgen, ik ben niet meer zo in de verdediging. Dat is een enorme opluchting. Ik ben nog steeds niet erg aardig, maar wel een stuk aardiger dan vroeger. Misschien dat ik daarom nu beter de wanhoop zie die dat vrouwtje gehad moet hebben, haar eenzaamheid en onmacht tegenover de melancholie van de vader.'

Bijbels

Hoe benauwend, wreed en teder ook, de flarden familiegeschiedenis zijn in Zelfbeheersing minder belangrijk dan de woorden, waar Prins een groot behagen in lijkt te scheppen. Kinderwoorden – krik krak, ploem ploem – en Bijbelse woorden en rijtjes plastische synoniemen. De grootvader noemt zijn vrouw `zijn broedstoof, zijn fokmachine, zijn dekstation', `zijn ladenkast, zijn waterput, zijn afgelebberde boterham'.

,,Ik schrijf zoals ik theater maak. Associatief, zonder vooropgezet plan. Ik begon met collages te maken rond feiten uit mijn eigen leven, en dat is steeds mijn methode gebleven. Soms leverde dat niets op dan vage associaties en autistische onzin, maar soms kreeg ik het gevoel dat ik iets tot stand bracht, dat ik met taal onder de platte werkelijkheid kon komen. Ik ging ondergronds, waar het leven zich werkelijk afspeelt, waar het wroet en wriemelt en waar allerlei beestjes knagen. Het was een andere, wezenlijker manier van denken, waar ik steeds makkelijker in kon stappen. Ik ben niet zo van het realisme, ik houd van Lorca, van Gabriel García Marquez, van Daniil Charms. Ik houd ook van de grimmigheid van sprookjes, van de montere zwartheid van sommige kindergeschiedenissen. Oude kinderversjes kunnen heel wreed zijn. Neem De allerdroevigste Geschiedenis van de Zwavelstokjes, het vers over dat meisje dat zichzelf verbrandt dat voorin mijn boek staat: `O, schrik! Haar kleertjes vatten vlam! O' Komt hier! Ter hulp! Och komt gezwind! Komt ouders! Komt! Daar brandt uw kind!' Griezelig zonder blikken of blozen, een soort vitale genadeloosheid. Dat vind ik leuk.'

Zwoegenderwijs

Vooral in lijfelijke zaken raakt Prins op dreef. Wat heet, Zelfbeheersing zit vol met de natte zoenen, zurige luchtjes en stinkende scheten die in het dagelijks leven worden doodgezwegen. De grootouders vermeerderen zich zwoegenderwijs, in wekelijkse, vochtige `breipartijen', `een tijdperk van insteken, soppen, volproppen, af laten glijden, opzwellen en uitdrijven'. Eenmaal zwanger heeft de grootmoeder een steenpuist bij de anus, zodat de moeder ter wereld komt `gebed in dikke gele pus'. In de hete treincoupé naar Holland wordt de moeder ongesteld, en moet in de weer met gordeltje en `maandbroekje met gummi voering'.

Waarom bent u zo dol op vieze dingen?

,,De mens is een lichaamsdier, iets anders kan ik er niet van vinden. Scheten horen bij het leven. Iedereen zit toch wel eens ergens met samengeknepen billen, denkend: ik moet deze inhouden, waar kan ik hem leggen zonder dat iemand het ruikt? Hoe vaak denk je daar niet aan? Het zijn lijfelijkheden, ik vind ze niet vies. Die neukscène, of pardon, co-pu-la-tie-scène, beschouw ik bijna als een grondthema van het boek. Zo triest, zo Duits ook. Ik dacht aan een breiwerk omdat ik een vrouw ben. Ik ben praktisch, ik sta zelf aan de afwas. Die steenpuist leek mij een goede metafoor voor de geboorte van een baby die zo'n moeizaam leven zal krijgen. Ik ben een mensenmens, geen dingenmens of ideeënmens. Mensen zijn van vlees en bloed, en ik verplaats me graag in dat vlees en bloed.'

Er zit ook iets provocerends in. Iets van: `ik ben lekker stout'.

,,Nee hoor, ik ben er niet op uit te provoceren. Voor mij is stapelgek normaal. Ik houd helemaal niet van mensen waar niets geks aan zit, niets onsmakelijks, niets raars, geen geheim. Ik vind het heel droevig dat we in zo'n redeneringsmaatschappij leven, waarin alleen het hoofd telt. Ik vind dat de hele mens ertoe moet doen, de hersens, de humor en de onderbuik. Ik zie al die tegenstellingen niet zo, tussen hoofd en hart en buik, tussen smerig en schoon. Leve de chaos.'

Cultiveert u dat imago van chaos en rebellie niet een beetje?

,,Nee, dat geloof ik niet. Ik ben niet meer zo'n woest beest als vroeger, maar ik heb al heel vroeg ontdekt dat de wereld niet klopt, en voor mij is dat blijven gelden. Ik weiger te doen alsof het anders is. Kijk toch eens naar buiten! Je kunt toch niet doen of het allemaal rijmt! Alsof de wereld op orde is!'

U schrijft ergens: `ik kwijl om niet te kotsen'. Maar zo'n levenshouding van walging sluit een zekere opgewektheid niet uit.

,,Nee. Ik ben verward en dat bevalt me. Angst heeft een functie. Mijn doodsnood is gelijk aan mijn levensdrift, juist een bewijs van vitaliteit. Misschien bestrijd ik zo wel dat ik dood ga, misschien juist door heel erg bezig te zijn met het leven. Ik zou nu echt niet graag doodgaan hoor, daarvoor heb ik het veel en veel te prettig, en bovendien ook veel te druk. Ik speel bijvoorbeeld in een telefilm, Novemberlicht, over een oude vrouw in een dijkhuisje en haar strijd tegen de dood. Ik sta elke dag te filmen in de kou, lichamelijk is het heel zwaar, maar het is werkelijk prachtig om te doen. En in het voorjaar kom ik met een nieuwe monoloog, Pikkepoezenwals. Iemand vroeg me, `Annemarie, hoe oud ben je nu eigenlijk', maar vind je het geen mooie titel? Het is een fragment dat uiteindelijk geen plaats heeft gekregen in mijn boek, een gruwelijk sprookje over liefde, dood en ongedierte. Ja, ongedierte. Het wordt echt erg vies.'

Annemarie Prins: `Zelfbeheersing'. Uitgeverij Augustus, 175 blz, €15,95.

    • Maartje Somers