Hol de grondrechten niet uit

Juristen die rechtsbeginselen willen oprekken om zo een veilige, maakbare samenleving te creëren dienen met wantrouwen te worden bejegend, vindt F.Kuitenbrouwer.

Een groep strafrechtgeleerden waarschuwde onlangs in een open brief dat de grenzen van de rechtsstaat gevaarlijk in zicht komen. Zij maken zich zorgen over uitholling van het strafrecht als een uiterst middel, over het beginsel dat eenieder voor onschuldig wordt gehouden tot het tegendeel wettig is bewezen, over het zwijgrecht van de verdachte, de privacy, en het verbod van discriminatie.

Deze waarschuwing kwam de strafrechtgeleerden te staan op een redactioneel commentaar in het Juristenblad van prof. Maurits Barendrecht. De rechten van de mens waren ,,de afgelopen dertig jaar prachtig'', betoogde hij, maar dreigen nu ,,verstarrende dogma's te worden die moeten worden gesloopt.'' De auteur ging er gemakshalve aan voorbij dat grondrechten zoals wij ze kennen internationaal als hoogste norm zijn vastgelegd na de Tweede Wereldoorlog, een integrerend onderdeel vormen van de Nederlandse Grondwet, de basis vormen van de Amerikaanse Onafhankelijkheidverklaring (1776) en, zo men wil, teruggaan tot het Magna Charta van 1215.

Wat het commentaar bedoelde te zeggen is natuurlijk dat de jaren zestig voorbij zijn. Dat klopt, maar dat is geen reden voor een uitverkoop van rechtsbeginselen. Want dat is de betekenis van een term als `slopen'. Het redactioneel commentaar viel nog af te doen als een curieuze aberratie, ware het niet dat minister van justitie Piet Hein Donner (toen nog net niet demissionair) in een interview met hetzelfde Juristenblad sympathie toonde voor enig sloperswerk. De bewindsman verweet de strafrechtjuristen ,,fundamentalisme'' en een ,,oppervlakkige redenering''.

Donner maakt bezwaar tegen de opvatting dat de strafrechtpleging ,,uitsluitend is bedoeld voor de bescherming van de verdachte.'' Dat is in deze absolute zin (,,uitsluitend'') inderdaad niet vol te houden. Maar daar laat Donner het niet bij. Strafrecht en strafrechtpleging zijn er volgens de minister ,,primair om te bestraffen''. Dat is echter te kort door de bocht, zoals een blik in Minkenhofs handboek De Nederlandse strafvordering leert: ,,zowel ten behoeve van de verdachte maar ook in het belang van de strafvordering zelf moet worden aanvaard dat de toekenning van bevoegdheden aan de verdachte het voor de vervolging moeilijker maakt.''

Men lost een probleem niet op door er een karikatuur van te maken. De moeilijkheid is juist dat strafrecht zoals dat heet ,,tegelijk een schild vóór en een zwaard tégen de individuele vrijheid is.'' Strafrechtpleging als een lopende band, gericht op productie en doorloopsnelheden, of strafrecht als een hordenloop, waarbij iedere volgende stap moeilijker wordt? De keuze is natuurlijk niet absoluut, maar verschuivingen in de ene of de andere richting worden daarmee niet minder belangrijk.

De teneur van de jongste Justitiebegroting staat in het teken van een `instrumentele benadering', aldus de Amsterdamse hoogleraar Bestuursrecht Van der Vlies (geen verontruste strafrechtgeleerde) in de traditionele bespreking van dit staatsstuk in het Juristenblad. Zij concludeert: ,,De voor het recht vereiste checks and balances krijgen [...] onvoldoende aandacht. Waar bevoegdheden worden uitgebreid, dient ook de controle op de uitoefening ervan te worden uitgebreid''.

In zijn interview zet Donner juist vraagtekens bij bestaande waarborgen als de verplichting een verdachte te waarschuwen dat hij niet tot antwoorden verplicht is en bij de jurisprudentie over onrechtmatig bewijs. Daarbij sluit de rechter de vruchten van bepaalde opsporingsmethoden uit, niet omdat hij er geen geloof aan hecht maar omdat ze op onbehoorlijke wijze zijn verkregen. Dat is bedoeld als een dam tegen dubieuze politiepraktijken.

Nederland wil veiligheid. Wie niet? ,,Onze medeburgers willen veiligheid, maar ook respect voor hun vrijheden en bescherming tegen fouten van de politie'', zei de voorzitter van de (gematigde) organisatie van Franse magistraten USM op het jongste congres. Hij herinnerde de Franse garde des seaux eraan dat een minister van Justitie nu juist ,,binnen de regering verantwoordelijk is voor de publieke vrijheden die moeten worden bewaakt door de rechterlijke macht''.

Zo vreemd is de waarschuwing van de Nederlandse strafrechtsjuristen dus niet. Maar wat zegt zoiets over ,,de angsten, boosheid, verlatenheid en overlast die miljoenen mensen ondervinden bij `kleine criminaliteit''', protesteert Barendrecht in zijn commentaar. Waarom ,,geen woord over de nodige afwegingen of over creatieve oplossingen? Alleen maar dat hameren op grondrechten.''

Deze boutade getuigt van een tweevoudig misverstand. Over creatieve oplossingen valt moeilijk te klagen sinds de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) van 2000: afluisteren, `doorzoekingen', inkijkoperaties, undercoverpraktijken, informatievergaring. En dat gaat nog door. De grondrechten worden navenant opgerekt.

Het grootste misverstand is de onderliggende suggestie dat grondrechten zouden dienen om schuldigen te beschermen c.q. slachtoffers te benadelen. Grondrechten zijn veeleer bedoeld om de overheid te behoeden voor de illusies van een maakbare samenleving. Pas op voor de jurist wanneer hij een verontruste maatschappij wonderen lijkt voor te spiegelen.

F.Kuitenbrouwer is redacteur van NRC Handelsblad.