Het pad van water

Het was in de herfst, in een vakantiehuis, midden in de bossen, 's avonds laat. De dag zat er op en ik deed niet veel meer dan gedachtenloos naar buiten kijken en luisteren: naar de volstrekte stilte om mij heen, af en toe afgewisseld door het ruisen van de wind hoog in de bomen, enkele regendruppels die van de bladeren gleden, geritsel her en der. Verder niets. Even gedachtenloos bladerde ik wat in een oude druk van Van Dale die daar lag, een dikke in één band, en zag het lemma `herfstnacht' voorbijkomen, en daarbij alleen deze voorbeeldzin: `de herfstnacht luistert ademloos'. Het was precies wat de herfstnacht buiten op dat moment volgens mij aan het doen was: ademloos luisteren. De hele sfeer van stilte, afwachting, duisternis, ingehouden adem en rust onder een hoge hemel kon niet beter worden uitgedrukt dan door dit citaat, volgens de bronvermelding genomen uit een gedicht van A.C.W. Staring. `De herfstnacht luistert ademloos': het was op dat moment de waarheid, terwijl ik tegelijk ook wel wist, en de dichter vermoedelijk ook, dat een nacht helemaal niet kan luisteren, en ook niet de adem kan inhouden.

De herfstnacht was hier verzelfstandigd en vermenselijkt. De handboeken spreken in zo'n geval van personificatie, een vorm van beeldspraak. Toch wordt de werkelijkheid er meestal dichter mee benaderd dan door eenduidige, recht op hun doel afgaande gegevens over windsnelheid, temperatuur, decibelniveau en lichtsterkte. Er schuilt al gauw iets magisch in beeldspraak, als bij een goocheltruc of een wonder: met open ogen zien dat de omweg sneller tot het doel leidt, maar zonder het helemaal te kunnen verklaren.

In totaal witte kamer, de nieuwe bundel van Gerrit Kouwenaar, staat een gedicht dat begint met een vergelijkbaar beeld. Hier is het niet een nacht, maar de tijd die vermenselijkt wordt. Het staat er allemaal alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, maar dat is het niet: `Zoals de tijd, eenzamer, een oude vriend begroet / zo liefkoost de wind hier laagland en water'. We bevinden ons, zo blijkt uit het vervolg, in een Hollandse polder, vlak achter de dijk. Daar gaat het er rustig (`schept vrede nog adem') en kalm (`wegen haasten zich langzaam') aan toe. Zo zullen we die liefkozende wind ook moeten begrijpen: geluwd, gaan liggen, uitgewoed, en nu rustig strijkend over het lage land. En zo zal de tijd ook begrepen moeten worden: uitgeraasd, binnengelopen, thuisgekomen. Het staat nergens, maar door die dijk en die wind en dat water wordt de suggestie wel gewekt: dat de tijd als een zeeman een heel leven lang op volle zee heeft rondgezworven en nu eindelijk de beschutting van een haven heeft gezocht en aan land is gegaan. Het is een verbluffend beeld, misschien niet logisch te verklaren, maar wel sterk: de tijd die eenzaam is geworden, de tijd die met pensioen is gegaan en zich nu maar voorbereidt op zijn oude dag. En wie zou die oude vriend zijn die hij daar begroet? De dood?

Op die eerste vier regels volgt een soort rondrit in negen regels door de polder. Aanvankelijk lijkt alles zich, in navolging van de tijd en de wind en de zich langzaam haastende wegen, te gaan vertragen tot stilstand, rust, roest: `in het huis roest de kiek van het gouden bruidspaar'. Maar daarop volgt meteen: `ritselt de fax' en `trilt de wijn in het melkglas'. Roest, ritselen en ouderdom verwijzen naar herfst of nostalgie, maar in de rest van het gedicht worden juist de lente en de toekomst bezongen: `op het erf wuift de meikers haar kleumende handjes / het is weer eens voorjaar, straks komt de kievit'. En: `het vee staat al buiten in ruigere vachten'. Dat roept een beeld op van een overzichtelijk erf en van de kalme vrede van het boerenleven. Hier is iets tot rust gekomen, het wilde leven ingedijkt, de woeste zee getemd: `een eendere hemel hangt lager, de zee is een vijver'. Het klinkt allemaal huiselijk en knus, net als het beeld van de ingemaakte vruchten (of groenten) in de kelder, waarmee Kouwenaar besluit. Maar, zo vraagt hij zich hardop af, voor wie staat dat daar allemaal? En de psalm mag wel zingen van grazige weiden en dat het de godvrezenden aan niets zal ontbreken, maar waar is iedereen? Het slot van zijn gedicht suggereert een verlaten woning en een verloren gegaan geloof in een leeg landschap, angstig kijkend naar de horizon, waar de nieuwbouw oprukt: `in de verte naderen beneveld de steden'.

Ik hoop dat zo'n gang door een Kouwenaargedicht duidelijk kan maken wat er zo bijzonder aan is. Het zit hem voor een deel in de personificaties, de bezieling van bijna alles wat hier genoemd wordt: van de tijd en de wind tot de fax, de meikers en de steden. Het zit ook in dubbelzinnige woorden als `melkglas' en `beneveld' die de voortgang vertragen. Het zit in de afstandelijke opstelling (`het is weer eens voorjaar') en in de afwijkende formulering (`straks komt de kievit' voor: de lente nadert), waardoor de blik steeds weer gewijzigd wordt. Het zit hem in het grijzige arrangement, waarin enkele goed gekozen woorden (`kiek', `fax', `gist', `inmaak') fel oplichten. Het zit vooral in de merkwaardige opeenvolging van allemaal korte, stellende zinnen, waardoor er maar geen vloeiende beweging, geen ritme, geen vervoering ontstaat. Kouwenaar schrijft poëzie van afremmingen en stilleggingen, met een algeheel ontmoedigend en vervreemdend effect. Daarin schuilt vermoedelijk de geest van aarzeling en beklemming die uitgaat van dit polderportret.

Het is dan wel wat teleurstellend om achteraf in de aantekeningen te lezen dat dit gedicht, `Pad van water', geschreven werd voor de gelijknamige `kunstroute' door het landschap van Oosterleek en Wijdenes, dicht achter de Westfriese IJsselmeerdijk, in de zomer van 1999. Alles wat Kouwenaar hier zag en in korte hamerzinnen benoemde, was dus misschien wel geen plattelandswerkelijkheid, maar alleen maar doelbewust aangebrachte kunst, van de roestende kiek tot de ritselende fax en van de wijn in het melkglas tot de gistende inmaakflessen in de kelder. En met die aan het slot dreigend naderende steden waren dan misschien wel de oprukkende agglomeraties van Hoorn en Enkhuizen bedoeld of, iets verderop, Blokker, Zwaag en Nibbixwoud. Het gaf aan het door mijzelf toch zo grimmig geduide geheel ook wel iets luchtigs en vluchtigs – als het pad van water waar het bij hoorde. Het viel me eerst niet op, maar het is ook in de tekst te zien: er loopt van `eenzamer' en `water' in het begin via `adem', `waren', `haasten', `langzaam', `paar', `haar', `jaar', `staat', `lager', `inmaak' en `staat' er tot `naderen' in de slotregel een heel mooi slingerweggetje van aa- en ater-klanken door het gedicht, een licht pad van water door de zware klei van de tekst.