Herstelde Chailly leidt Mahler met felle contrasten

Riccardo Chailly is weer beter. Begin dit seizoen moest hij vier zomerconcerten in Amsterdam én de daarop aansluitende tournee afzeggen vanwege een ernstige schouderblessure. Beide programma's, overgenomen door Vassily Sinaiski en Eliahu Inbal, behelsden werken die Chailly niet eerder bij het orkest dirigeerde.

Deze week dirigeerde Chailly met geheel hersteld schoudergewricht alsnog beide programma's. Oorspronkelijk zou hij een meerjarige cyclus bij het orkest realiseren, met Beethovens symfonieën gepaard aan 20ste-eeuws repertoire. Als startschot daarvan klonk vorig seizoen al de Eerste symfonie. Deze en volgende week – op tournee in Japan – is de beurt aan de dansante Zevende symfonie, maar aan een volledige cyclus zullen Chailly en het orkest naar alle waarschijnlijkheid niet meer toekomen.

Chailly heeft hoorbaar uitgesproken ideeën over Beethoven. Niet voor niets liet hij diens Zevende vooraf gaan door prachtig spitse, ritmisch sprankelende en tot in de kleinste schakeltjes geoliede vertolkingen van Stravinsky's Pulcinella en het groter bezette Jeu de Cartes. Met vogel-virtuoze houtblaassoli en een galante, écht dansante helderheid presenteerde het orkest zich op haar allerbest.

Beethoven sloot daarop wonderwel aan. Hier klonk de Zevende symfonie zelden breed, verhalend of romantisch, zoals in augustus onder Chailly's invaller Sinaiski, maar veeleer ritmisch gedreven, streng en `Sturm und Drang'-achtig. Chailly realiseerde een `authentiek'-geïnspireerde Beethoven, met een strakke benadering van de frasering, matig gebruik van vibrato, klassieke contrasten in dynamiek en bovenal zeer rappe tempi. Het geheel klonk eerder interessant dan meeslepend of ontroerend, zeker in het anders toch halstoesnoerende Allegretto.

Oneindig veel ingrijpender en enerverender bleek gisteravond een zinderend geconcentreerd gespeelde uitvoering van Mahlers Derde symfonie. Met felle contrasten belichtte Chailly in het eerste deel de botsende werelden van dag en nacht, licht en duister. Opvallend welgemoed stapte het orkest voort in het marsmotief, waar langzaam grimmiger tinten doorheen werden gemengd. Door die polaire opzet deed de muzikale verwijzing naar het `Es sungen drei Engel' hier reeds vermoeden dat de innerlijke strijd tenslotte ten goede zal worden beslecht.

Na de elegante melancholie van het menuet glimpte in het derde deel opnieuw een sprankje hemellicht door in de prachtig gespeelde, `wie aus der Ferne' klinkende posthoornsolo. Maar in deze Derde symfonie behoefde je eigenlijk niet te weten dat de alt in het O Mensch, gib acht! pas écht licht na duisternis brengt. Als een ochtendzon straalde mezzo Michelle DeYoung hier over het orkest heen, daarbij zelfs visueel oplichtend met blonde krullen en een gouden gewaad. Heldere, relatief intieme bijdragen waren er in het vijfde deel ook van het Groot Omroepdameskoor en het voor meer dan driekwart uit meisjes (!) geformeerde Nationaal Kinderkoor. Het zesde deel (`Was die Liebe mir erzählt') klonk daarna als een zeer breed uitgesponnen, gloedvol en innig lied, zowel letterlijk als figuurlijk diepgravend gespeeld.

In mei leidt Chailly het orkest nog viermaal in Mahlers Derde symfonie, die dan ook op cd zal worden opgenomen.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly. Mahler. Gehoord: 24/10 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 2,4,7 en 8/5. Aldaar. Stravinsky en Beethoven. Gehoord: 23/10 Concertgebouw, Amsterdam. Herh.: 31/10, aldaar.