Gonzalez

Het liep tegen negenen toen we in een overvolle tram met gepaste zwijgzaamheid een nieuwe werkdag tegemoet reden. Ik had een invalideplaats aan het raam veroverd, die ik alleen nog zou afstaan aan Tsjetsjeense vrijheidsstrijders of een reiger met een gebroken poot.

In een gezapige sluimertoestand liet ik mijn blik over de Beethovenstraat dwalen, toen er een man van half in de dertig instapte, gekleed in een dure winterjas en gewapend met een diplomatenkoffertje dat hij aan zijn voeten zette. Hij zocht steun bij een ijzeren stang en begon met zijn vrije hand onmiddellijk mobiel te bellen. Hoewel hij enkele meters van mij vandaan stond, kon ik hem uitstekend verstaan zo'n man weet wat een stukjesschrijver toekomt.

,,Peter, ik ben zo op kantoor, maar ik bel alvast even over Gonzalez'', zei hij, terwijl hij monter om zich heenkeek. ,,Het wordt tijd dat we hem nu eindelijk eens goed aanpakken. We weten toch genoeg van hem? Wat denkt die zak wel? Dat hij ons kan blijven belazeren? Ik stel voor dat we vandaag actie ondernemen. Waar zouden we nog op wachten?''

Amsterdam begint op een echte wereldstad te lijken, mijmerde ik tevreden. We hoeven niet meer op ene Jansen of Peters te jagen, een actie tegen een zekere Gonzalez heeft heel wat meer allure.

Onze man pauzeerde even om naar Peter te luisteren, nog altijd een opgewektheid uitstralend die niet strookte met het onderwerp van gesprek. ,,Nee, dat is niet zo'', onderbrak hij, ,,in feite hebben we niks gedaan. Ik keek gisteravond die stapel dossiers door en toen bleek Gonzalez nog steeds onderop te liggen. Dat schiet niet op.''

De tram stopte bij een halte, er stapte maar een enkeling uit. De belager van Gonzalez was gedwongen te blijven staan, maar zijn goede humeur werd er niet door aangetast. ,,Pak het dossier er vast bij, dan beginnen we straks meteen'', zei hij. En toen, zonder merkbare overgang: ,,Gecondoleerd.''

Het woord viel als een baksteen uit de lucht. Mijn gedachten waren net van plan met me op de loop te gaan, maar ik was meteen weer bij de les.

,,Was het onverwacht?'' vroeg de man.

Hij handhaafde de toon van iemand die een zakelijk gesprek voert met een goede collega. ,,Hoe oud was hij?'' Hij keek belangstellend naar buiten. ,,Mooie leeftijd.''

Hij stelde nu alleen nog korte vragen.

,,Waar woonde hij?''

,,Zag je hem nog wel eens?''

,,Weet je moeder het al?''

,,Heb je met haar nog wél contact?''

We naderden de Stadionweg. De man keek op zijn horloge. Hij had opeens genoeg van het gesprek, er viel ook niet meer veel toe te voegen. ,,Ja, dat zijn van die dingen...'', begon hij nog. Toen vermande hij zich. ,,Ik zie je zo'', zei hij. ,,Je moet maar kijken. Als je je niet al te verbonden voelt...'' En hij mompelde nog iets dat ik niet kon verstaan.

Enkele honderden meters verderop stak nu ook Peter zijn telefoontje in zijn zak. Hij talmde even op de gang. Gonzalez én de begrafenisondernemer op één dag, dat loog er niet om.