`Een roman moet een échte tijger zijn'

Maandag wordt in Parijs de Prix Goncourt uitgereikt: een van de vier kanshebbers is Olivier Rolin. Zijn roman `Tigre en papier' is een ambivalente terugblik op de revolutie van 1968: ,,We waren iets tussen helden en clowns in.'

Olivier Rolin koketteert een beetje met zijn kater, die zo hevig was dat het gesprek er twee uur voor werd uitgesteld. Deze kinderloze vrijgezel benadrukt graag dat hij onaangepast is, ongebonden, met een voorkeur voor reizen, hotelkamers en blijkbaar de fles. Een oud-revolutionair. Een paar jaar geleden kwam zelfs uit dat Rolin, samen met nog een aantal schrijvers en journalisten, al sinds 1977 een huis huurde voor een ondergedoken terrorist die drie moorden op zijn geweten had. Zo wisten zij de revolutie nog twintig jaar te rekken.

Aan de andere kant heeft Rolin een baan bij zijn eigen uitgever Seuil (,,zie dat maar als zo'n erebaantje, net als die lege functies op het gemeentehuis'), een nominatie voor de Prix Goncourt, een buitenhuis in Bretagne en een appartement in het zesde arrondissement van Parijs: alles wat maar bourgeois is.

In Tigre en papier kijkt Rolin (1947) met welwillende ironie terug op zijn militante verleden. In 1968 was Frankrijk verwikkeld in een grimmige burgeroorlog, met doden en dynamiet. Althans, zo lijkt het. In ieder geval achteraf kan deze oud-revolutionair (net als Rolin was de verteller aanvoerder van de `Gauche prolétarienne') de humor inzien van hun mislukte aanslagen, de bommen die niet afgingen en de ontvoeringen waarbij het slachtoffer ontsnapte. Als een van hen iets te fanatiek was en serieus een grote aanslag beraamde, stak er altijd wel iemand een stokje voor. Ze waren iets ,,tussen helden en clowns in': papieren tijgers, zoals de titel van het boek luidt. Hoe kijkt Rolin terug op 1968?

,,Natuurlijk ben ik er tweeslachtig over. Kant schreef over de Franse Revolutie dat de ergste wandaden samengingen met de absolute vrijheid, het verschrikkelijke met het grootse. Dat gold ook voor ons, maar op kleinere schaal: het verschrikkelijke werd een beetje belachelijk, het grootse werd gewoon aardig, en ik kijk erop terug met sympathie én ironie. Ik vind het nog steeds heldhaftig dat wij geloofden dat je iets kon veranderen, dat het beter kon. Dat bestaat nu niet meer.'

Klassenstrijd

De beweging zoals Rolin die beschrijft was niet alleen romantisch en klunzig. Uit naam van de klassenstrijd werden levens vernield, zoals in Tigre en papier dat van Winter en Cosette, een mooi, jong en verliefd stel waar de rest van de revolutionaire groep jaloers op was. Met als gevolg dat de geliefden ieder naar een fabriek andere kant van het land werden gestuurd om zich daar onder het proletariaat te mengen. Geluk, liefde en schoonheid werden gewantrouwd, zonder dat iemand precies wist waarom. De verteller schaamt zich nog als hij bedenkt hoe hij antwoordde toen zijn beste vriend hem lyrisch belde over een paar verliefde dagen aan zee, die hij zo mooi vond: `De zee is een werkterrein voor vissers en zeelui, en een strategisch veld voor imperialisten'.

Ondanks die afkeer van esthetiek, zijn literatuur en revolutie voor Rolin nauw op elkaar betrokken: ,,Beiden komen voort uit een gebrek aan tevredenheid. Net als een revolutionair wordt een schrijver gedreven door zijn ongenoegen over hoe de dingen zijn: hij wil iets aan de wereld veranderen. Daarom is literatuur ook politiek, overigens zonder militant te worden.'

Een andere overeenkomst die Rolin ziet tussen de schrijver en de revolutionair, is dat geen van beiden thuishoren in hun tijdperk: ,,Je moet ons in '68 zien als een stel Don Quichottes: volkomen buiten de tijd. Onze idealen hadden niets te maken met de realiteit. Zo is ook de schrijver niet thuis in zijn eigen tijdperk. Flaubert had dat. Chateaubriand had het ook, hij vroeg zich af waarom hij als aristocraat was geboren in een tijd waarin hij zich zo slecht thuis voelde. Uit die symbolische ballingschap komt literatuur voort. Wie zich op zijn plaats voelt en tevreden is, schrijft niet.'

In Tigre en papier is dat gebrek aan een thuis gesymboliseerd door de ringweg van Parijs, waar de verteller de hele nacht rondjes rijdt met zijn toehoorster Marie, de dochter van zijn beste vriend die na de revolutie van een steiger is gevallen – of gesprongen. De Citroën rijdt om Parijs, het verhaal cirkelt om Marie's vader, en ook nog eens om de vader van de verteller, die in de oorlog in Indochina is omgekomen. Rolin vindt dat zijn roman veeleer een zoektocht naar die dode vaders behelst dan een verhaal over Parijs in 1968: ,,Het gaat mij om de overdracht, om de vraag wat een vader kan overbrengen op zijn kind, en dat kind weer op degenen die na hem komen. Dat is wat generaties betekenen: dat de geschiedenis en de ervaringen worden doorgegeven. Op dezelfde manier moet de literatuur een transmissie zijn van het verleden, zodat de mensheid verder kan. Mijn boek zou eerst `De ironie van het lot' heten, waarmee ik wilde aangeven dat het gaat om de vreemde kronkels die de geschiedenis kan aannemen. Zoals het feit dat de verteller in '68 zwaait met de rode vlag die zijn vader twintig jaar eerder ten koste van zijn eigen leven bestreed. Wat ik bedoel is dat je nooit zeker weet welke positie je over een jaar in de geschiedenis in zal nemen: de geschiedenis is sluwer dan wij.'

Kluwen

Het woord pelote, kluwen, komt steeds terug in Rolins antwoorden: hij schrijft naar eigen zeggen om de kluwen van de geschiedenis te ontwarren. Daarover gaat het ook in een eerdere roman van Rolin, Meroë, die dit voorjaar bij Meulenhoff verscheen. Een prachtig en complex verhaal over een Parijzenaar die in Soedan gestrand is en zich verwant voelt met avontuurlijke schrijvers als Hemingway en Rimbaud. Hij wil niets meer te maken hebben met `dichters die nooit met een revolver op zak hadden rondgesjouwd, die niet bokser waren geweest of smokkelaar of goudzoeker'.

In het `Hotel der Eenzamen' zit deze avonturier te schrijven en probeert hij zijn vroegere geliefde Alfa te vergeten. Of liever gezegd: hij lijkt haar eerst te moeten herinneren om haar goed en wel te kunnen vergeten. Net als in Rolins andere romans draait het hier om de vraag hoe je kan behouden wat verloren is gegaan. De mooiste illustratie daarvan is in Meroë het werk van de Duitse archeoloog Vollender, die gespecialiseerd is in verdwenen christelijke culturen in Soedan. Uit afgunst of angst wil Vollender zijn kennis niet doorgeven aan de volgende generatie: een steriliteit die wordt gesymboliseerd door de berg zand die hij over zijn belangrijkste opgraving (en over zijn opvolgster) stort.

Zowel Tigre en papier als Meroë zijn geschreven in een mooi, maar vol en moeilijk Frans. Waarom zoveel woorden? ,,Tsja, mijn verteller excuseert zich al dat hij de soep wellicht wat al te zout serveert. Je hebt ook hedendaagse schrijvers die tenderen naar het minimale, naar een pure, abstracte taal. Bij mij ligt dat omgekeerd. Ik heb veel taal nodig om rond mijn onderwerp te draaien, ik ben geen schrijver die recht op zijn doel afgaat. Er is een nauw web van woorden nodig, uit de hoogste én laagste niveaus van de taal. Daarmee wordt de overdracht die ik nastreef natuurlijk niet makkelijker. Literatuur is ook niet makkelijk: een roman moet een echte tijger willen zijn, en niet een van papier.'

Olivier Rolin: Tigre en papier. Seuil, 268 blz. €18,–

Olivier Rolin: Meroë. Vertaald door Frans van Woerden. Meulenhoff, 238 blz. €17,50.

De andere drie genomineerden voor de Prix Goncourt zijn :

`Assam' van Gérard de Cortanze (Albin Michel)

`Les ombres errantes' van Pascal Quignard (Grasset)

`L'insensé' van Morgan Sportès (Grasset)

    • Yra van Dijk