Een olifant als grafkist

Zonder dieren zou er geen mens op aarde rondlopen. Kijk maar eens naar die dertigduizend jaar oude grotschilderingen in Spanje en Frankrijk. De stieren, paarden en neushoorns die daar in de schemer werden neergekrast vormden weliswaar een bedreiging, maar ze waren ook onmisbaar, als karbonade. De eerste gebruiksvoorwerpen die mensen dan ook maakten, waren geslepen stenen en vishaken – om zich in leven te houden met vlees en vis.

Hoe belangrijk dieren zijn geweest, blijkt wel uit het feit dat het dier in elke beschaving, op elk continent en in elke fase van de geschiedenis opduikt als gebruiks- en/of kunstobject. Vierduizend jaar geleden schilderden Grieken vogels en octopussen op hun drinkkannen. Tweeduizend jaar later lieten de Romeinen mozaïekvloeren leggen met vissen, eenden en leeuwen en nog veel meer. En de indianen van Zuid-Amerika gaven hun doden aardewerken vaatjes mee in de vorm van herten, apen en slangen.

Meestal kom je in musea het dier in Egypte tegen, óf het dier in Zuid-Amerika, óf het dier in Afrika, maar zelden worden die wereldwijd zo verschillende beestenbeelden gecombineerd. In Dieren uit de Kunst is dat nou eens wél gedaan, en dat maakt het ook tot zo'n weelderig kijkboek. Om aan te geven hoe anders een en hetzelfde dier steeds is uitgebeeld, hoef je maar één pagina op te slaan. Links staat dan bijvoorbeeld een Australische krokodil – een sloddervos – samengesteld uit schildpaddenschild en gedroogde graankorrels, en rechts een Japanse krokodil, – een pietje precies –, zoals houtsnijders die anderhalve eeuw geleden levensecht op papier afdrukten.

De sloddervossen zijn altijd interessanter dan de Pietjes precies. Omdat een kunstenaar met verrassende materialen én met zijn fantasie nu eenmaal méér van een beest weet te maken dan het in werkelijkheid te zien geeft. Max Ernst had in 1934 wat ijzerdraadjes en een vogelveertje nodig om een beeldschone libel te componeren. En Alexander Calder knutselde uit een leeg bier- en olieblik plus wat ijzerdraad een vogel in elkaar die tussen een nijdige kip en een gehandicapte kraanvogel in zit.

Elk afgebeeld dier heeft nog een bondig tekstje gekregen over zijn maker of mythologische achtergrond. De 17de-eeuwse Nederlandse schilder Pieter Boel moest bijvoorbeeld elk nieuw beest in de privé-dierentuin van de Franse koning Lodewijk XIV portretteren, en hij kon zo goed kijken dat zijn geverfde vleermuizen lijken weg te vliegen. Anderhalve eeuw later, ook in Frankrijk, maakte Théodore Géricault een prachtig schilderij van 24 paardenkonten, een stal van drie etages met 24 paardentypen.

Verreweg de fantasievolste `kunstdieren' komen uit Afrika. Wie bijvoorbeeld in Kongo van zijn woede of angst wilde afkomen, hamerde een spijker of een stuk ijzer in een kolossale houten hond, zodat die na verloop van tijd méér stekelvarken was dan een stekelvarken. In Nigeria zwemmen tijdens bepaalde feestdagen mensen rond met maskers van houten haaien of krabben op hun hoofd, om de griezelige onderwereld te bezweren. En in Ghana kan je nog steeds begraven worden in een mooi beschilderde, houten olifant. Hoewel er net even te veel Franse kunst in het van origine Franse kijkboek Dieren uit de kunst voorkomt, blijft het een speelse kennismaking met een mondiale en esthetische beestenboel, die je in geen enkel museum zo compact onder ogen krijgt.

Claire d'Harcourt: Dieren uit de kunst. Lemniscaat, 96 blz. €24,95