De werkvloer van de werkelijkheid

Nachtengelen bestaan, en op de avond dat prins Claus overleed waren ze aan het voetballen op de Dam.

Dit is wat ik altijd heb geloofd: dat wat wij de werkelijkheid noemen het resultaat is van allerlei troepenbewegingen in de nacht. Niet alleen bij wijze van spreken – als gevolg van wat er 's nachts plaatsvindt in fabrieken en discotheken, op geheime vergaderingen en slagvelden, achter computers, schildersezels of in bed – maar ook echt. Letterlijk. De werkelijkheid – alles waar onze ziel en zintuigen zich aan schurken kunnen – moet 's nachts onderhouden worden, wil hij zichtbaar en weerbarstig blijven en niet geleidelijk als een oude foto onder onze ogen en handen vervagen en vergaan.

Als je maar goed keek, was altijd mijn rotsvaste overtuiging, kon je zien hoe zich, zodra het donker wordt, een leger van vreemde gestalten uit de schaduwen losmaakt – avondsterren, nachtengelen – die komen kijken wat de schade is die het schip waarop wij samen zitten nu weer van de dagelijkse stormen heeft ondervonden. De deuken in de romp, de scheuren in het zeil, een geknapte mast – dat is, hoe lastig en soms onmogelijk te herstellen ook, nog niet zo'n ramp allemaal. De grootste zorg gaat uit naar de kleine dingen: hoe het zonlicht in het want speelt, de glanzende kromming van het dek, de waggel van een meeuw op de railing. Al die details – als die niet worden ingevuld of opgepoetst, elke nacht opnieuw, verliest het schip geleidelijk de scherpte van zijn contouren, zijn diepgang en hardheid. Tot er niet veel meer van over is dan alleen de buitenkant – die dan bij het kleinste zuchtje tegenwind inklapt tot een kartonnen bouwplaat. Om dat te voorkomen, om te zorgen dat de dingen hun binnenkant behouden, hun gewicht en hun scherpe smaak op onze tong, moet er 's nachts, op de werkvloer van de werkelijkheid, keihard worden doorgedroomd.

Af is het nooit en er is een schrijnend gebrek aan personeel. Vlak voor het ochtendgloren moet er altijd nog wel even een vergezicht worden rechtgehangen, een jeugdherinnering afgestoft, een visioen doorgegeven en – dát vooral – een betekenis vernieuwd. En, zoals elke slapeloze weet, is het steeds maar weer afwachten geblazen of er genoeg gaten in het web gedicht zijn om de hele zaak niet al bij het eerste daglicht in elkaar te laten zakken. Misschien is daar de slaap trouwens wel voor bedoeld: om te voorkomen dat we getuige zullen zijn van precies dat moment van onzekerheid in de dagelijkse herschepping van de wereld. Het moment dat even voelbaar is met hoeveel tegenzin God daartoe soms het groene licht geeft. Doet-Ie het wel of doet-Ie het niet? Dat is de vraag.

Bewijs

Het idee van zo'n onderstroom als magische motor van een koortsachtige reddingsactiviteit in de nacht, heb ik nooit meer af kunnen schudden. Als het al niet zo is dat ik er juist door overeind gehouden, er zelfs door gedragen werd. En bijna drie weken geleden kreeg ik het onomstotelijke bewijs geleverd van het bestaan ervan.

Het was op de avond dat bekend werd dat prins Claus was overleden en binnen een half uur tijd de ene na de andere Nederlandse televisiezender in de rouw ging. Er kwamen extra nieuwsuitzendingen waarin steeds opnieuw tijd en plaats werden genoemd; we zagen de archiefbeelden die al jaren `scherp' stonden, en veel beelden van reporters die – eerst nog in wandelkostuum, maar al snel in haastig aangerukte aangepaste kledij – live verslag deden van wat er allemaal niet, ik herhaal: níet gebeurde voor de deur van het ziekenhuis en de hekken van paleis Noordeinde. Nou ja, het waaide een beetje en af en toe viel er een druppel regen en er kwam iemand langslopen of -rijden. Maar niks uitzinnige taferelen van drommen mensen die straten en pleinen in een mum van tijd omtoverden in een zee van bloemen, teddyberen en waxinelichtjes.

So far so good.

In de studio in Hilversum kwam ondertussen de ene na de andere gast aanschuiven om in alle toonaarden te verklaren en bevestigen hoe sympathiek, intelligent, beklemd, geestig, tragisch, betrokken, liefdevol en geliefd Claus was geweest als man, prins en vader. Ook zijn grote betekenis voor het herstel van de relatie met Duitsland en ons denken over ontwikkelingssamenwerking bleef niet onvermeld. Ze hadden gelijk, al die gasten, en het was zeker ook gemeend wat ze zeiden, maar echt geraakt werd ik niet – niet op een manier die het niveau van de gebruikelijke `song and dance' van de media ontsteeg.

En toen gebeurde het. Een van de cameraploegen die er inderhaast op uit waren gestuurd om her en der wat straatinterviews te scoren had inmiddels de Dam in Amsterdam bereikt en daar een paar jongens aangetroffen die aan het voetballen waren. Dat feit alleen al was iets om tranen van in de ogen te krijgen. Drie, vier jongens van een jaar of achttien die op een herfstige zondagavond rond half tien in het donker – een groot deel van het centrum van Amsterdam is om een of andere reden altijd onderbelicht – een balletje staan te trappen op een plein dat ik er in veertig jaar niet meer zo betoverend leeg en stil bij had zien liggen. Hoe bestond het? Een kleine stap voor een cameraman, een enorme sprong voor de cameramensheid.

Hondje

De jongen die voor de microfoon gehaald werd had kort haar en een innemend, open gezicht. Een gezicht – scherper kan ik het niet formuleren – zonder enige make-up. Hij was innerlijk volstrekt kalm, maar stond nooit helemaal stil. Hij wiebelde een beetje, eerder gracieus dan nerveus, en tijdens het spreken zag je zijn blik af en toe naar beneden gaan – alsof de bal die hij onder zijn voet geklemd hield een hondje was dat in zijn speelsheid elk moment de benen zou kunnen nemen.

Of hij het al gehoord had van prins Claus? Nee, niet dus, en ja, jammer – het leek hem een leuke man. Dit alles al zonder één valse of zelfs maar routineuze noot, en, wat belangrijker is, zonder ook maar één moment van zijn stuk gebracht te worden door het feit dat hij live op televisie was en nu dus door miljoenen mensen gehoord en gezien kon worden. Een gedachte die mensen doorgaans op slag in verkrampte, overbewuste replica's van zichzelf doet veranderen. Televisiecamera's werken immers op dezelfde wijze als vliegende schotels – ze zuigen je naar binnen, breken je genetische code en zetten je dan, met een snelheid van vijfentwintig beeldjes per seconde, geheel ontwerkelijkt weer terug op aarde.

Niet deze jongen.

Deze jongen bleek immuun voor virtualisatie en bleef volstrekt zichzelf: wie hij was, maar vooral ook heel erg wáár hij was. Ik kan me niet meer precies herinneren wat de interviewer verder nog aan hem gevraagd had – zelfs niet of hij verder nog wel iets gevraagd had – toen hij in alle rust, geheel zijn eigen gedachten volgend, omkeek naar de grote, donkere voorgevel van het paleis achter hem, en zoiets zei als: ,,Ik denk dat we nu maar ergens anders gaan voetballen; dat lijkt me prettiger voor de koningin.''

Over respect gesproken. En over normen. En waarden. Om nog maar te zwijgen over poëzie en authentiek gevoel – want juist omdát er niemand thuis was op Dam 1 en hij dat ook wist, maakte wat hij zei zo bijzonder. Het was duidelijk dat het op zichzelf niet zijn wereld was, het koninklijk huis en alles wat daarmee samenhangt, maar door dat ene zinnetje – en vooral door de onbevangen, bijna onthechte manier waarop hij het zei – werden wij allemaal opeens buren, goede buren. Niet alleen van de koningin, maar – via haar en haar voetballende buurjongen – ook van elkaar.

Ik heb eens een psychotherapeut gekend die zei dat zijn patiënten maar moesten genezen door te kijken naar de manier waarop hij liep. Hij deugde voor geen cent, deze therapeut – in de praktijk kwam het erop neer dat zijn patiënten, voorzover het vrouwen waren, moesten genezen door de manier waarop hij met ze sliep – maar er zat iets in, in wat hij zei.

Zelf heb ik in ieder geval heel wat opgestoken van de manier waarop ik die jongen die avond terug zag lopen naar zijn maten die een eindje verderop stonden toe te kijken: een groepje pauzerende nachtengelen, wachtend op hun voorman.

Televisiecamera's werken net als vliegende schotels