De hel, die zoek je op

Voor het eerst wordt in Nederland Fassbinders omstreden toneelstuk `Het Vuil, de Stad en de Dood' opgevoerd. Vijftien jaar geleden werd dat door demonstranten verhinderd.

Het verhaal speelt zich af in de desolate straten van de West-Duitse stad Frankfurt halverwege de jaren zeventig. Oude huizen. Beschutte straten zijn afgebroken om plaats te maken voor kille hoogbouw. Aan de schaduwzijde leven de verschoppelingen: straatprostituees en hun pooiers, een dwerg, een travestiet, homoseksuelen en potenrammers, biseksuelen. Een onguur volkje dat samenvalt met alle clichés. Volgens de code van deze onthechte groep moet je voldoen aan het emblematische beeld van de hoer of de verkrachter. Anders word je verstoten en vernederd. Uit zelfbescherming zweren zij samen.

De taal waarin ze zich uiten is een rauwe mengeling van poëzie en hoon, laster en filosofie, zelfs religie. De ziekelijke hoer Roma B. bijvoorbeeld zegt, meteen in de eerste scène: ,,Het hart is van god, juffrouw, niet van u. Dat krijgen we in bruikleen, zeg maar.'' Zij verlangt naar genegenheid, maar in de betaalde liefde zijn oprechte gevoelens verboden. De enige man die om haar geeft en van wie zij houdt is een jood. Hij betaalt veel geld. Zijn hand komt niet verder dan haar bovenbeen. De eerste keer dat hij samen met haar is, legt hij zijn hoofd tegen haar dunne, doorschijnende jurk en zegt: ,,Ik ben bang.'' Hij heeft slechts een initiaal als naam, A. Door de anderen wordt hij echter `De rijke jood' genoemd. In deze schimmenwereld draagt niemand zijn eigen naam.

De man is, net als alle personages, een stereotype. Dit verhaal is een theaterstuk en het heet Het Vuil, de Stad en de Dood van de Duitse toneelschrijver en filmer Rainer Werner Fassbinder (1945-1982). Hij schreef het in 1975, uit woede en onvrede over de vernietiging van zijn stad. Fassbinder was destijds artistiek leider van het Theater am Turm. In zijn biografie Slapen kan ik als ik dood ben, geschreven door de met hem bevriende acteur Harry Baer, staat dat Fassbinder `zorgeloos' aan dit theaterstuk schreef, gedreven door `het fanatieke rechtvaardigheidsgevoel waarmee hij al zijn onderwerpen aanpakt'. Fassbinder putte uit persoonlijke ervaringen. In Der Müll, die Stadt und der Tod, zoals de oorspronkelijke titel luidt, treedt een joodse speculant op die rijk wordt van nieuwbouw. Fassbinder benadrukte dat deze man in het echt heeft bestaan. Zijn stuk gaf hij de vorm van een moraliteit: het is een tekst die misstanden aanklaagt. Deze jood leeft aan de welgestelde kant van de maatschappij en Roma B. aan de onderzijde. Ze vinden elkaar in wederzijdse genegenheid. In Fassbinders moraliteit schuilt een liefdessprookje. Navrant en bitter, dat wel.

In de strikte beslotenheid van het repetitielokaal van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag werkt regisseur Johan Doesburg al enkele maanden aan Het Vuil. Lou Landré vertolkt de rol van A., Marie-Louise Stheins speelt Roma B. en Peter Tuinman is de perverse travestiet Müller. Scène na scène wordt zorgvuldig ingestudeerd voor de première, die morgenavond plaatsvindt. Een week eerder zijn regisseur, spelers, muzikant en de ontwerpers van licht, kostuums en decor naar de grote zaal verhuisd. Daar vindt de allereerste `aaneenschakeling van de scènes tot een geheel' plaats, zoals Doesburg voor aanvang zegt.

Die beslotenheid is hard nodig om het stuk een kans op ongehinderde opvoering te geven. Doesburg ontdekte Het Vuil in 1986 toen het in de vertaling van Gerrit Bussink verscheen bij de Haagse uitgeverij Bzztôh. In die jaren was Doesburg gefascineerd geraakt door het toneelwerk en de films van Fassbinder, zoals hij ook hield van de `lyrische Fellini en de grimmige Pasolini'. Wel hoorde hij dat er van joodse zijde druk was uitgeoefend op Bzztôh om de oplage te beperken tot 1000 exemplaren. Met name het personage A. zou het antisemitisme in de maatschappij aanwakkeren. Maar bijna niemand las of kende Het Vuil, de Stad en de Dood in die tijd. Doesburg, regiestudent aan de Amsterdamse Theaterschool, kocht veertig exemplaren bij De Slegte voor een gulden per stuk. Hij besloot er in 1987 een afstudeervoorstelling van te maken, naar zijn verwachting de Europese première. Pas later hoorde Doesburg dat op 6 november van dat jaar Het Vuil geruisloos in Kopenhagen voor het eerst was opgevoerd.

Verzet

Doesburg begon te regisseren en de première was voorzien op 18 november 1987 in Theater De Lantaren in Rotterdam. Voor hem is Het Vuil een belangrijk stuk, omdat ,,Fassbinder zijn personages foute uitspraken laat doen en verkeerde stellingen laat innemen, en daarmee hypocriet fatsoen en de politiek correcte waarheid ontmaskert.'' Maar zijn voornemen ontketende een lawine van protest. Eerder had regisseur Leonard Frank besloten Het Vuil niet in zijn theater Frascati aan de Amsterdamse Nes te laten opvoeren. Hij achtte het `een antisemitisch rotstuk' dat de joodse gemeenschap in een kwaad daglicht stelde. Vanaf dat ogenblik was het verzet niet te stuiten en werd verbod van uitvoering geëist. Ondanks deze door Doesburg als `genadeloos en kortzichtig' ervaren weerstand leek het of Het Vuil op die achttiende november toch doorgang kon vinden. Het verliep anders. Theater De Lantaren bezit een vlakke vloer. Vanuit de zaal wordt de stap het podium op moeiteloos genomen. De wet van het theater is echter dat zich tussen zaal en Bühne een imaginaire, vierde wand bevindt die de beide ruimtes scheidt. Het podium is de plaats voor verbeelding, voor de fantasie van toneelschrijvers en spelers. Het kan ook, binnen de context van een voorstelling, de plek zijn waar onaangename of provocatieve onderwerpen aan de orde worden gesteld, zoals in Het vuil gebeurt. Maar nauwelijks waren de zaallichten gedoofd en gloeiden de toneelspots aan, of de spelers werden aan de kant gedrukt door toeschouwers die uit de zaal naar voren kwamen en namens de joodse gemeenschap de opvoering onmogelijk maakten.

De Koninklijke Schouwburg bezit een eerbiedwaardig lijsttoneel. De hoogte tussen zaal en Bühne is zo'n anderhalve meter. Die beklim je niet zomaar en toch valt er bij de spelers van nu in deze fase voor de première enige beklemming te bespeuren.

Acteur Albert Blitz, die in 1987 gestalte zou geven aan A., zei destijds over zijn rol: ,,Ik speelde iemand die denkt dat hij niet anders kan. Omdat hij denkt dat hij anders zelf het slachtoffer wordt.'' Dat is een zinvolle gedachte. A. voegt zich naar de clichés van het antisemitisme omdat hij door zijn kwaadwillende omgeving in die rol wordt gedwongen. Dat is precies wat Fassbinder met Het Vuil wil zeggen en zoals hij zich naderhand ook verdedigde, toen ook in Frankfurt de opvoering van Der Müll werd getroffen door een verbod, uitgevaardigd door de burgemeester, die volgens Fassbinder handelde in dienst van de joodse gemeenschap. Fassbinder wilde ,,het taboe op joodse onderwerpen doorbreken omdat verdringing ervan antisemitisme in de hand zou kunnen werken.'' De hetze die tegen Fassbinder ontstond, ervoer hij als een `lastercampagne'. Die schokte hem diep, ondanks zijn verweer dat lezers en toeschouwers in staat moeten zijn meningen in een toneelstuk onafhankelijk van de schrijver te beschouwen. Net als in Nederland kende ternauwernood iemand het stuk, want uitgeverij Suhrkamp had het, wederom onder druk van buitenaf, spoedig na publicatie uit de handel genomen. De meningen berustten op geruchten en een enkele saillante passage.

Het Vuil is in Nederland noch Duitsland in het openbaar te zien geweest; wel in Denemarken, Zweden, Israël en Amerika. Doesburg zegt: ,,In Nederland denkt men nog altijd onvolwassen. Het Vuil is een bizar sprookje van de grote stad. Wat de personages erin beweren, kun je nog altijd horen in de straten van dit land. Met het verzwijgen, verbieden en daardoor verdringen bereik je juist het tegenovergestelde. Intussen zijn er duizenden artikelen over gepubliceerd en is de tekst in 1987 integraal herdrukt door de Haagse Post. Dat moest ook. Oordelen kan pas nadat je kennis hebt genomen van de tekst en ook van de voorstelling. Daarom moet die er komen. Het is al vijftien jaar mijn droom, eenvoudigweg omdat het een prachtig toneelstuk is.''

Brandslang

Voor acteur Peter Tuinman verliep het repetitieproces zoals gewoonlijk: ,,Eerst hebben we Doesburg driemaal aan het plafond opgehangen en heeft hij de brandslang op ons gericht...zo gaat dat altijd. Ik heb geprobeerd te begrijpen wat de woede van eertijds inhield en ben er nog steeds niet achter. Door een voorstelling te verbieden – met welk recht, welke arrogantie? – gaat het juist gisten. De waarheid wil gezegd worden. Dat hebben we gemerkt aan de keten van reacties: eerst die zelfontvoering van acteur Jules Croiset. Naderhand het boekenweekgeschenk van Harry Mulisch Het theater, de brief en de waarheid. Daarop weer de hevige verontwaardiging van Freek de Jonge, alsof Mulisch een rehabilitatie van Croiset had geschreven. Onzin natuurlijk. En als het antisemitisme in de samenleving is toegenomen, dan zijn daarvoor heel andere oorzaken aan te wijzen.

,,Niemand keek goed naar de structuur en de betekenis.'' vervolgt Tuinman. ,,Alle personages in het stuk zijn op noodlottige wijze aan elkaar overgeleverd en gevangen in een net van hypocrisie en machtswellust. Dat veroorzaakt diepe angst. Elk personage zegt wel eens: `Ik ben bang.' Uit zelfbescherming past iedereen zich aan. Dat is een riskant mechanisme. Natuurlijk schrik ik me lens als ik moet zeggen over de jood: `Ik ben technocraat. Maar het is mogelijk dat ik de moordenaar van zijn ouders ben, en ik zou het met genoegen zijn. Dus ben ik het.' Een levensgevaarlijk tekst. Desalniettemin ben ik ervan overtuigd dat vergelijkbare gedachten sluimeren bij mensen. Uitspreken is bevrijden, en daardoor neutraliseren.

,,Fassbinder vraagt zich af hoe mensen tot huiveringwekkend gedrag komen. Omdat ze ergens bij willen horen. Daar wijst de massale aanhang voor het nationaal-socialisme op, in de Tweede Wereldoorlog. Mijn beeld van Fassbinder is van een man die altijd achter alles de waarheid zocht. Hoe zit dat? Wie heeft hier de macht? En waarom? In zijn toneelstuk Preparadise sorry now toont hij aan dat nationaal-socialisme en, in het verlengde daarvan, antisemitisme ontstaan als er drie mensen bij elkaar zijn. Twee van hen zullen de derde willen vernederen en kapotmaken. Daarom gaan de personages in Het Vuil ook stuk. Het samenspel van ambitie, machtshonger en angst aan de nachtzijde van de stad verwoest hen. Om te overleven bedienen ze zich van kwaadsprekerij. Dat verleent hun het idee van macht, hoe misplaatst misschien ook. Wat mij nu stoort, is dat mensen wat besmuikt naar me toekomen. `Oh, jij speelt weer in dat stuk, hè?' Het zijn juist degenen die nooit een schouwburg vanbinnen hebben gezien en de t van theater niet eens kunnen schrijven.''

Geheime kracht

Lou Landré treedt op als A., het gewraakte personage. Landré is een gedrongen gebouwd acteur die een grote, geheime kracht uitstraalt. Van de toestanden van eertijds rondom Het Vuil heeft hij weinig gevolgd. In de voorstelling draagt hij een donkerblauw kostuum met krijtstreep en opzettelijk ontworpen hoge, rechthoekige schouders. Dat verleent hem aanzien. Anderzijds roept dit opgedofte beeld juist weerloosheid op. ,,Ik wil er eerlijk gezegd niet te veel over spreken'', ontwijkt Landré de vraag naar de opbouw van het toneelkarakter. ,,Tekst en personages van Fassbinder zijn zo complex en veelzijdig, dat alle eenduidigheid de waarde tekort doet. In de toneelliteratuur zijn er altijd kwade en verontrustende stukken. Ik heb veel van Jean Genet gespeeld. Hij valt ongemakkelijk en is daarom des te fascinerender. Geen enkel toneelpersonage is óf goed óf slecht. De spanning daartussen, of het ongewisse van zo'n karakter, verleent diepte. Fassbinder stelt een wezenlijke vraag naar het kwaad dat ergens in ieder van ons schuilt. Fassbinder kun je van veel kanten bekijken en zo probeer ik A. ook te spelen. Wel werd ik bang van de videocompilatie die is gemaakt van de acties van toen. Anderhalf uur lang beelden van het journaal, opnamen van de bezetting van het theater waarbij fakkels brandden, spandoeken te zien waren met de tekst `Deze Fassbinder mag niet!' en dan de dubbel s van zijn naam weergegeven als SS-tekens. Ik schrok van de woedende gezichten. Als ik speel wil ik daaraan niet denken. Ik wil dit waardevolle stuk schoon spelen, zonder het lawaai van toen. Het Vuil verdient dat.''

Tippelaarster

De liefde tussen tippelaarster Roma B. en de jood A. vormt voor Marie-Louise Stheins de spil van de voorstelling. ,,Het leven van Roma B. is evengoed kapot als het zijne'', zegt ze. ,,Daarin herkent hij haar. Als kind heeft hij zijn ouders weggevoerd zien worden. Hij weet dat Müller, uitgerekend mijn vader, medeverantwoordelijk is voor hun dood. Toch komt hij naar me toe, toont respect en compassie. Alleen Lou Landré en ik weten of het tussen hen tot grote intimiteit is gekomen. Voor de toeschouwer moet dat blijken uit ons spel. Hij is de enige die de kilte in het lichaam en de botten van Roma B. warm kan maken. Zij laat zich slaan en vernederen door haar echtgenoot, die ook haar pooier is. Zijn macht zuigt haar naar hem toe. De hel, die zoek je op. Dat is een thema dat theater als geen andere kunst uitdrukt. Kijk naar Medea die haar kinderen vermoordt, naar Hamlet die ondanks zichzelf iedereen de dood in jaagt en naar Oidipoes, die in alle onschuld zijn vader neerslaat. In de enscenering zoeken wij de geloofwaardigheid van elk woord en elk gebaar, anders val je onherroepelijk door de mand. Juist omdat wij emblematische figuren spelen moet de waarachtigheid voorop staan. Ik denk altijd uit de vorm, uit de taal. Heb ik in mijn hoofd een stijl gevonden, dan gaan overal op mijn lichaam de luikjes open. Fassbinders stuk is statisch; dus kies ik voor beweeglijkheid.''

Aan het slot van de voorstelling wil Roma B. dood. Ze zegt in een van de wanhopigste monologen uit de toneelliteratuur: ,,Dat is geen leven dat de moeite loont geleefd te worden, god! Wij haten elkaar, bevechten elkaar in plaats van één te zijn. Ik wil dit leven niet meer leven, god. Ik wil het weggeven, mijzelf tot slachtoffer maken en niet in de laatste plaats om mezelf te redden, te redden van de dood in het leven.'' Ze gaat iemand zoeken die haar gelukkig maakt, en die haar dus doodt. Diegene is A. Een moeilijke sleutelscène. De rijke jood die de armzalige prostituee vermoordt. Maar eenduidig is het niet. Hij beantwoordt haar diepste verlangen en zo verlost hij haar. Geeft haar geluk. Landré knoopt zijn stropdas los, legt die om haar hals en op ongeveer twintig centimeter daarvandaan, de afstand is welbewust goed zichtbaar, wringt hij de verstikkende knoop. De stilering is volmaakt. Na afloop van de repetitie zegt Marie-Louise Stheins: ,,Het is een integere vorm van compassievolle euthanasie.''

De passage die bij de tegenstanders de meeste weerzin oproept, is de volgende woedeuitbarsting, in de mond gelegd van Hans von Gluck, makelaar. Over zijn concurrent roept hij uit: ,,Hij zuigt ons uit, de jood. Drinkt ons bloed en maakt dat we ongelijk hebben, omdat hij jood is en wij de schuld dragen. Ik pieker en pieker en tart mijn zenuwen; en eigenlijk sterf ik duizend doden. En schuld heeft de jood, omdat die ons schuldig maakt, want hij is hier. Was hij gebleven waar hij vandaan kwam of hadden ze hem vergast dan zou ik beter kunnen slapen.'' In hun strekking zijn deze woorden even vreeswekkend als de kenschets van Shylock als woekerjood in Shakespeare's De Koopman van Venetië. Bijna het voltallige gezelschap staat op de speelvloer wanneer acteur Dries Vanhegen als Von Gluck opkomt. In een korte, felle beweging draait hij zich om naar Roma B., links op het podium. Rechts, achter zijn rug, staat Landré als A. Wanneer de woorden als kogels door de schouwburgzaal schieten, verstarren de personages in verbijstering. Surrealistisch klinkende muziek begeleidt de tekst en biedt een dreiging die aan filmmuziek herinnert.

In het milieu waarin deze geteisterde mensen zich bevinden kunnen ze veel verwachten, maar dit niet. Lou Landré hoort het aan en krimpt met kleine, schokkende bewegingen ineen. Zijn sterke schouders lijken te verkruimelen. Dankzij deze vorm en het effect van Von Glucks monoloog slaat de snijdende heftigheid in zijn tegendeel om, net zoals dat in De Koopman gebeurt, mits goed geënsceneerd. Er ontstaat compassie met de man die daar staat in het donkerblauwe, gestreepte kostuum en die bang is slachtoffer te worden.

`Het Vuil, de Stad en de Dood' van Rainer Werner Fassbinder door het Nationale Toneel. Première 26/10 Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Tournee t/m 26/1. Inl.: 070-3181444; www.nationaletoneel.nl.