Cacao: rijkdom en ruzie

De geschiedenis van de cacaoboon is die van migratie. De bevolking van Ivoorkust, sinds 1978 's werelds grootste cacaoproducent, bestaat voor een derde uit immigranten die de teelt verzorgen. Nu het economisch minder gaat laaien de nationalistische en etnische spanningen hoog op.

Buitenlanders willen niet integreren, ze pikken kostbare ruimte in, ze hangen vreemde geloofsovertuigingen aan en ze krijgen te veel kinderen. Onbegrip en argwaan tussen autochtonen en allochtonen is een universeel probleem zodra het een land economisch minder voor de wind gaat. Zo ook in Ivoorkust.

De crisis in Ivoorkust begon zich jaren geleden al af te tekenen, zegt economisch analist François Ruf. Het is een crisis die typerend is voor landen met een hoge cacaoproductie, niet alleen in Afrika, maar overal ter wereld. Na veertig jaar van voorspoed beginnen de problemen. Ivoorkust is de grootste cacaoproducent ter wereld. En de geschiedenis van de cacaoboon is die van migranten, het verhaal van mensen in arme gebieden die elders op zoek gaan naar vruchtbare grond, geld, een beter bestaan.

Officieel bestaat de bevolking van Ivoorkust, het meest welvarende land van West-Afrika, voor bijna dertig procent uit immigranten. De grootste groep komt uit het noordelijk gelegen Burkina Faso. Zij helpen de cacaosector van het land draaiende houden, maar integreren slecht. Een in Ivoorkust geboren zoon van een Burkinabé blijft een Burkinabé. Er zijn er weinig die zich laten naturaliseren, een ingewikkelde en kostbare procedure. Een wetsvoorstel dat officieus verkochte landbouwgrond in kaart brengt en toewijst aan de rechtmatige Ivoriaanse eigenaar, hangt veel Burkinabese boeren als een zwaard van Damocles boven het hoofd.

De Dioula uit de droge Sahelzone in het noorden van Ivoorkust zijn geen buitenlanders, maar ze worden vaak als tweederangsburgers behandeld. De gendarmerie wil nogal eens hun identiteitspapieren afpakken of verscheuren. De nationaliteit van noorderlingen wordt in twijfel getrokken omdat hun voorouders uit Burkina Faso of Mali zouden komen. Daarom zijn ze geen volbloed Ivorianen. In het zuiden (Abidjan) hebben noorderlingen een slechte naam gekregen. De rebellen, die het aftreden van president Laurent Gbagbo eisen, zijn hoofdzakelijk noorderlingen. Het onderscheid tussen Ivorianen en niet-Ivorianen ligt aan de basis van het huidige politieke conflict.

Vrijwel alle belangrijke cacaoproducerende landen krijgen op een gegeven moment te maken met een grote stroom immigranten. Maar, zegt François Ruf, een onderzoeker aan het CIRAD-instituut in Abidjan, Ivoorkust springt eruit door de omvang van de migratie en de ongewone snelheid waarmee die heeft plaatsgehad. Na de onafhankelijkheid in 1960 kwam er een ware volksverhuizing op gang. Niet alleen arriveerden talloze immigranten uit het door droogte geteisterde Burkina Faso, binnen Ivoorkust zelf trokken duizenden mensen van het centrum naar het bosrijke zuid- en midwesten.

President Houphouët-Boigny, de man die Ivoorkust drie decennia met vaste hand bestuurde, moedigde migratie aan om de cacaosector te ontwikkelen. Hij richtte zich vooral op zijn eigen etnische groepering, de Baoulé, een volk van landbouwers. Ook de Burkinabese gastarbeiders profiteerden van zijn beleid. De mensen die de bosrijke gebieden bewoonden voelden zich onder de voet gelopen, bedreigd. ,,De politieke steun voor migranten was zo uitgesproken dat zij vonden dat ze weinig meer keus hadden dan hun land te verkopen'', zegt Ruf. ,,Zo raakten ze eerst hun bosgrond kwijt, dat gekapt werd voor de cacao, en daarna hun landbouwgrond.''

Houphouët-Boigny suste spanningen en ruzies met baantjes, geld of meer land. Het was allemaal in overvloed aanwezig. De economie groeide als kool, tot Ivoorkust in 1978 de titel van grootste cacaoproducent ter wereld van Ghana overnam. In dertig jaar tijd had het land een metamorfose ondergaan. In economisch, sociaal en politiek opzicht een uitzonderlijke prestatie, meent Ruf. ,,Het succes van Ivoorkust is vaak toegeschreven aan 's lands nauwe samenwerking met Frankrijk, maar het was eerder te danken aan de gigantische migratiegolf. Je kunt beter spreken van een voorbeeldige samenwerking met Burkina Faso.''

Maar cacao heeft een beperkte levenscyclus. Na een hausse volgt een onvermijdelijk een recessie. ,,Na 25 jaar begint een cacaoboom minder op te brengen'', vertelt Ruf. ,,Herplanten is een probleem: alleen op voormalige bosgrond groeit een cacaoboom goed. Als die uitgeput is, trekken boeren verder om een nieuw stuk bos te kappen. Zo krijg je een voortdurende verplaatsing van productiehaarden, een proces dat het verval van de oude productiehaarden maskeert.'' De productie in Ivoorkust vertoont nog steeds een stijgende lijn omdat de plantages die onder Houphouët-Boigny aangelegd werden, in de laatste fase van hun levenscyclus zijn. Maar grond is er niet meer. Al het beschikbare bos is gekapt. Tekort aan landbouwgrond is de oorzaak van ,,typische tweede-generatieconflicten'', zegt Ruf: ruzies tussen zonen van autochtonen en migrantenzonen. In de cacaobelt worden boeren uit het noorden of uit Burkina Faso van hun land gejaagd.

Voor de dood van Houphouët-Boigny hadden een economische recessie, droogte en dalende marktprijzen al een einde gemaakt aan de Ivoriaanse groei. Na zijn dood bleek de politiek niet in staat tot een effectief integratiebeleid. Er zijn weinig cacaolanden die weerstand bieden aan de verleiding buitenlanders de schuld van de problemen te geven, zegt Ruf. Want met de economische malaise nam de vreemdelingenhaat toe. Houphouët-Boigny's opvolger, Henri Konan Bédié, scherpte de tegenstelling tussen buitenlanders, noorderlingen en Ivorianen aan door het begrip `Ivoirité' te lanceren.

Op die manier zette hij zijn politieke rivaal Alassane Ouattara buitenspel, wiens vader afkomstig zou zijn uit Burkina Faso. Ouattara is een Dioula en een moslim en heeft een grote aanhang onder noorderlingen en Burkinabé. Bédié gaf het potentiële conflict tussen noorderlingen en zuiderlingen een etnische en een religieuze dimensie. Generaal Robert Gueï, die goede maatjes was met Ouattara toen hij eind 1999 de macht greep, beloofde eerlijke verkiezingen waarin alle politieke leiders zich kandidaat konden stellen. Hij hield geen woord. Gueï werd in 2000 door een volksopstand uit het presidentiële paleis verdreven.

Het was `logisch en significant' dat Laurent Gbagbo daarna president werd, meent Ruf: Gbagbo is een Bété uit het midwesten van Ivoorkust en vertegenwoordigt de regio die door Houphouët-Boigny werd achtergesteld. Maar de kwestie Ouattara blijft. Gbagbo heeft zich welwillend opgesteld, maar veel problemen op hun beloop gelaten. Aanhangers van Gbagbo beschouwen Ouattara nog steeds als een buitenlander en ze willen geen buitenlander als president. Door de opmars van de rebellen uit het noorden wordt alles door elkaar gebruikt: noorderlingen, buitenlanders, moslims, Dioula en nu ook: terroristen. Dat is de term die de staatstelevisie voor de rebellen gebruikt. De regering lijkt over het hoofd te zien dat de terroristen op de sympathie kan rekenen van een groot deel van de bevolking.

De vraag is: gaat het vanaf hier alleen nog maar bergafwaarts, zegt Ruf. ,,Ghana was de grootste cacaoproducent ter wereld tot 1978, daarna nam Ivoorkust het over. Met Venezuela en Ecuador is hetzelfde gebeurd. Zo'n cacaoboom raast door een land, slokt het bos op, en trekt na vijftig jaar weer verder. Als een land daarna weer op de been komt, is het meestal te laat.'' Ruf schetst een somber toekomstscenario. ,,In 1969 vaardigde de Ghanese regering een alliance compliance order uit: alle buitenlanders werden het land uitgezet. Dat was het begin van het einde. Mijn angst is dat de geschiedenis zich zal herhalen in Ivoorkust. We zijn nog nooit zo dichtbij geweest.''

    • Pauline Bax