Baas zonder burka

Een intrigerende titel: Tennis in Kaboel. Tennis associeren we met vrije tijd, luchtige kleding, rijkdom, vrije lichaamsbeweging, kortom: het westen. Bij Kaboel denken we aan oorlog, gesluierde vrouwen en armoede. De ondertitel schept verdere verwarring. Staat de Nederlandse vrouw in verhouding tot Afghanistan, zoals tennis tot Kaboel? Dan de kaft. Geen vrouw met haar gezicht verborgen onder een boerka, zoals de hausse aan literatuur over `vrouwen en Afghanistan' meestal laat zien, maar een oude fiets met een fietstas vol kleurige ballonnen.

Tessa Terpstra, afgestudeerd antropologe, besluit op een dag haar baan bij de televisie op te geven en naar Pakistan te gaan, om voor een internationale vluchtelingenorganisatie te gaan werken. Van daaruit legt ze regelmatig werkbezoeken af aan Kaboel, waar ze bijvoorbeeld het niveau van het onderwijs op de scholen inspecteert. Na een verblijf van anderhalf jaar, keert ze op 16 september 2001, vijf dagen na de aanslagen in New York, terug naar Nederland. Afghanistan is dan plotseling een land waar iedereen meer van af wil weten.

Tennis in Kaboel is een antropologisch dagboek: persoonlijke ervaringen worden afgewisseld met antropologische en historische notities over Afghanistan. De interessantste stukken gaan over haar ervaringen als baas tussen een groep Afghaanse mannen. Al op haar derde werkdag gaat het fout. Ze botst tegen de enorme buik van een mannelijke collega op, verliest haar evenwicht en valt tegen hem aan. Er valt een ijzige stilte. Mannen en vrouwen raken elkaar in dit land niet aan.

Terpstra worstelt met de vraag in hoeverre ze zich moet aanpassen. Als antropoloog heeft ze geleerd dat ze de gebruiken van een vreemde bevolking zo goed mogelijk moet kopiëren, zodat je opgaat in de groep. Maar wie zich te veel aanpast wekt ook valse verwachtingen of verliest haar zeggingskracht. Terpstra merkt dat niet alle mannen haar accepteren als baas. Sommige van haar mannelijke collega's willen dat ze op kantoor een hoofddoek draagt voor haar `eigen veiligheid'. Terpstra weigert die te dragen. Ze realiseert zich dat het niet om veiligheid gaat, maar om macht, om wie de baas is. Bij haar eerste vergadering gaat ze tussen de mannen en vrouwen inzitten, als een soort derde sekse, en zo wordt ze ook genoemd: `Mister Tessa'.

De worsteling met haar positie in de toon van het boek. Soms is er de wat afstandelijke feitelijke opsomming van historische feiten. Terug in Nederland wordt ze echter geconfronteerd met de `Drie Dwaze Dagen' van de Bijenkorf. Prompt mist ze Afghanistan en bevlogen beschrijft ze hoezeer ze ernaar verlangt terug te gaan. Terpstra vindt vaak een mooi midden in haar stijl: betrokken, zonder al te sentimenteel te worden en zichzelf te verliezen. Die spanning is mooi vervat in de titel van het boek, die ze ontleent aan een tennispartijtje in een westerse club in Kaboel. De lichten op de banen gaan uit als het donker wordt, er mag van de Talibaan niet meer worden getennist. Iemand slaat nog een balletje. Je aanpassen of niet, dat is de kwestie.

Tessa Terpstra: Tennis in Kaboel. Een Nederlandse vrouw in Afghanistan. Bert Bakker, 272 blz. €16,95

    • Stine Jensen