Altijd oog voor de eigen bezoedeling

Gemakkelijk moet de katholieke historicus Garry Wills het niet hebben gehad na de publicatie van zijn voorlaatste boek, Papal Sin (2000). Bekend van studies als Lincoln at Gettysburg, een studie over Augustinus en zelfs een monografie over pauselijke encyclieken, schreef hij met Papal Sin weliswaar een bestseller, maar één waarmee hij het bij veel van zijn behoudende geloofsgenoten definitief had verbruid. Hoe kan iemand die omstandig uitlegt dat onoprechtheid en bedrog standaard-ingrediënten zijn geweest van de pauselijke politiek, nog pretenderen lid te zijn van de katholieke kerk, vroegen zij zich af.

Inmiddels hebben zij nog meer reden tot klagen. In spraakmakende artikelen naar aanleiding van het pedofilie-schandaal in de Verenigde Staten heeft Wills de katholieke kerk nogmaals gegeseld over haar onwil en onvermogen publiekelijk haar schuld onder ogen te zien. Dat heette, net als het zwijgen van Pius XII over de jodenvernietiging en diens naoorlogse ontkenning dát hij gezwegen had, voor het welzijn van de kerk te zijn gedaan. Maar geen enkele institutie, aldus Wills, kan zo flagrant in strijd zijn met haar eigen geschiedenis en beginselen zonder haar geloofwaardigheid te verliezen.

Dat Wills zichzelf niettemin blijft beschouwen als katholiek, is voor de rechtervleugel binnen die kerk even onbegrijpelijk als voor verlichte ongelovigen daarbuiten. Hoe kan iemand die duidelijk goed bij zijn hoofd is, nu nog lid blijven van zo'n organisatie, vroeg Martin Gardner zich af in zijn recensie van Papal Sin. Had Wills in de geschiedenis van de kerk werkelijk iets anders dan doortraptheid en bedrog denken aan te treffen, voegde de filosoof Richard Rorty daaraan toe.

Conservatieve verdedigers van het katholicisme klinken in hun argumenten wel vaker unisono met de radicale bestrijders daarvan. `Niet-katholieken zijn er veel zekerder van dat de kerk autoritair is dan katholieken', schrijft Wills en men zou daaraan kunnen toevoegen: of dan katholieke reactionairen graag zouden willen. Beide kampen gaan uit van een comfortabele versimpeling van de realiteit, die alle ruimte biedt voor een even vlot als eenduidig oordeel.

Wills kreeg ook minder geborneerde reacties, die getuigden van eenzelfde `(soms verbijsterde) liefde voor de kerk' als die welke hem tot het schrijven van zijn boek en zijn commentaarstukken hebben aangezet. Vanwaar die liefde, die zichzelf nauwelijks durft te geloven, maar die kennelijk even reëel als onwaarschijnlijk is? vroeg Wills zich af.

In zijn nieuwe boek Why I am a Catholic heeft Wills die vraag proberen te beantwoorden. Dat hij zich vooral heeft geconcentreerd op de geschiedenis van het pausschap en de veranderende rol daarvan binnen de kerk, lag na Papal Sin voor de hand. Het kan inderdaad nooit kwaad er nog eens op te wijzen dat dat het pauselijk overwicht van tamelijk recente datum is en dat het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) opnieuw de nadruk heeft gelegd op de bisschoppelijke collegialiteit en de pauselijke rol als `eerste zonder zijn gelijken'. Wie de wederwaardigheden in de katholieke wereld sinds het Concilie enigszins heeft gevolgd, zal in zijn boek op dat punt dan ook weinig verrassends vinden. En voor de meeste katholieken die sinds de beruchte encycliek Humanae vitae (1968) en het pauselijk verbod op voorbehoedmiddelen massaal hun eigen weg zijn gaan volgen, levert Wills' historische relativering van het pausschap allang geen hoofdbrekens meer op op.

Veel dichter bij een antwoord op zijn eigen vraag komt Wills in de begin- en slothoofdstukken van zijn boek. De klassieke Romeinse geloofsbelijdenis en het Onze Vader vormen zijn laatste woord en letterlijk zijn credo. Ook daarin laat Wills zich leiden door de geest van het Tweede Vaticaans Concilie, zodat de christenen die zich in dit credo niet zouden herkennen waarschijnlijk met een lantaarntje te zoeken zijn. Eén bepaling springt er in deze katholieke zelfbekenning echter uit, waarover iedere niet-katholiek moet struikelen: `Ik geloof in de heilige katholieke kerk'.

Dat is op de keper beschouwd een vreemde bepaling en Wills zegt er dan ook niet veel over. Het protestantse ongemak erover is begrijpelijk: geloven doe je in God. Maar hoe lang er binnen de katholieke theologie ook gediscussieerd is over de vraag wat dat `geloof' in de kerk precies wil zeggen, nergens komt het onderscheid tussen de protestantse en de katholieke wereld scherper tot uitdrukking. Een protestant staat moederziel alleen op het toneel, onder het verblindende licht van de blik van God, die hem rechtstreeks in het gemoed en het geweten ziet. Een katholiek staat in het koor, in het halve licht van Gods schijnsel dat, indirect en getemperd, via de kerkelijke hoofdrolspelers op hem afstraalt en dat hem nooit in zijn verzengende onverbiddelijkheid bereikt.

Dat de kerk in het katholicisme geen organisatorische bijkomstigheid is, maar een onderdeel van het geloof zelf, kán tot totalitarisme leiden en Wills verheelt niet dat de kerk daaraan soms heeft toegegeven. Maar gewoonlijk heeft het haar gelovigen een speel- en manoeuvreerruimte gegeven die de al te scherpe kantjes van de religieuze en morele voorschriften afsleep en terugbracht tot menselijke maat. Het geweten werd erdoor niet afgeschaft, maar wel in zijn onbarmhartigheid gestuit. Het katholicisme heeft dan ook nooit een Kierkegaard voortgebracht, wel een Pascal, maar die was al een halve protestant.

Niet de genade die de protestant loodrecht vanuit de hemel krijgt ingestort is voor het katholicisme bepalend, maar de Heilige Geest die zich diffuus over de kerk verstrooit. Het katholicisme is een geïncarneerd geloof en dat betekent dat niet de protestantse zuiverheid erin centraal staat, maar zijn eigen bezoedeling. De kerk mag het lichaam van Christus zijn, ze blijft als aardse institutie tegelijk mensenwerk en dus onvolmaakt en feilbaar.

Katholiek is Wills' boek dan ook niet allereerst omdat hij het over het pausdom heeft, maar omdat hij bij de beantwoording van zijn eigen vraag als vanzelfsprekend over de kerk begint te spreken. En zijn woede geldt de kortzichtige politiek waarmee het katholieke leergezag zijn eigen feilbaarheid doctrinair heeft trachten te verloochenen en historisch onder leugens heeft bedekt. Waar zij dat deed ter bewaring van haar eenheid, bereikte zij precies het tegenovergestelde, aldus Wills. De eenheid van de kerk, gesymboliseerd door de paus, veronderstelt juist een acceptatie van haar onvolmaaktheid en van de noodzaak van het compromis. Zuiverheid is het kenmerk van de scheurmaker, die inschikkelijkheid ziet als verraad en volksgodsdienst als blasfemie.

Daarin heeft Wills meer gelijk dan hij zelf lijkt te onderkennen wanneer hij zijn boek laat uitlopen op een credo. Wanneer de kerk de Heilige Geest is zoals hij schrijft dan is niet haar theologie maar haar `leven' haar belangrijkste criterium. Wat `katholiek zijn' betekent, wordt dan niet uitgedrukt door haar doctrines, die men wel of niet kan onderschrijven, maar in het (al dan niet rijke) `roomse leven' in zijn meest aardse vorm.

Dat leven heeft, zo moet ook Wills constateren, geen gunstige pers. Er hangt een verdenking van achterlijkheid, terreur, bekrompenheid en wreedheid omheen, die in scherp constrast staat tot de ervaringen van de meeste katholieken. Wills beschrijft in de eerste hoofdstukken van zijn boek de wereld van zijn eigen jeugd, gekenmerkt door zorgzaamheid en hartelijkheid, toegewijde leraren, met een grote openheid voor de wereld en een hoog cultureel niveau: `Het was een getto, maar geen slecht getto om in op te groeien'.

Dat is voor mensen die net als hij zijn groot geworden maar al te herkenbaar. Het katholieke bestaan kenmerkte zich door een goedhartige leefbaarheid die Wills in het niet-katholieke deel van zijn familie, schrijft hij, node heeft gemist. Met nostalgie daarnaar, even aangenaam als misplaatst, heeft dat minder te maken dan met de erkenning dat een geïncarneerd geloof ver over het religieuze heen reikt. Het legt met zijn gevoel voor betrekkelijkheid en onvolmaaktheid van zelfs de Heilige Kerk de bodem voor een heilzame scepsis, die niets van doen heeft met cynisme of Realpolitik.

Meer dan in het fanatisme dat ermee geassocieerd wordt excelleert de katholiciteit in wantrouwen jegens overspannen pretenties ook wanneer ze van louter seculiere aard zijn. Kenmerkend voor de katholieke geest is niet het geloof, maar een grote mate van ongeloof gemaskeerd door de heidense mix van het aardse en het hemelse waarin zij de kool en de geit spaart en het één met het ander relativeert. Die nonchalance is het protestantisme altijd een doorn in het oog geweest. Vanuit nieuwtestamentisch oogpunt had het gelijk. Het katholicisme heeft zijn gelovigen nooit met goddelijke maat willen meten. De menselijke was al moeilijk genoeg.

Garry Wills: Why I am a Catholic. Houghton Mifflin, 390 blz. €34,25