Alleen voor eigen parochie

Na de gewone Duitsers, zet Daniel Jonah Goldhagen nu de katholieken in de beklaagdenbank. Pausen, bisschoppen en priesters zouden moedwillig hebben bijgedragen aan de jodenvervolging. Maar doet zo'n alomvattend moreel oordeel wel recht aan de complexe historie?

Onder leiding van aartsbisschop De Jong en samen met de protestantse kerken, protesteerden de Nederlandse bisschoppen in een kanselboodschap in juli 1942 openbaar tegen de deportatie van de joden. Zij meldden dat ze `reeds diep geschokt' waren door eerdere vormen van uitsluiting van de joden in Nederland en nu `met ontzetting' kennis te hebben genomen van deze nieuwe Duitse maatregelen. Zij noemden die strijdig met `het diepste zedelijke besef van het Nederlandsche volk' terwijl ze bovenal indruisen `tegen hetgeen van Godswege als eisch van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt.' Op die verklaring is een specifieke straf gevolgd: katholiek gedoopte Nederlandse joden werden gericht gearresteerd en weggevoerd.

De gebeurtenis is om twee redenen relevant in een studie van de katholieke kerk en de jodenvervolging. Ze geeft de mogelijkheden en grenzen aan van een openbaar protest in een samenleving onder de nazi-dictatuur. Belangwekkend is de verklaring ook, omdat ze een eerste kerkelijke interventie was die uitging boven de grenzen van de eigen zuil en de eigen kudde, al werd er bijzondere aandacht gevraagd voor de christelijke joden.

Aan de kerken in West- en Noord-West Europa werd destijds een zekere vrijheid van meningsuiting toegestaan, omdat Hitler in deze bezette landen geen kerkvervolging wenste vóórdat de hele oorlog was gewonnen. De Duitse represaille laat evenwel zien waar die vrijheid ophield: de bisschoppen werden voor hun moed `beloond' met de deportatie van onder anderen de katholieke non Edith Stein. De vraag of hun oproep de bereidheid van katholieke gelovigen – vooral op het platteland – kan hebben vergroot om joodse onderduikers op te nemen is nog niet beantwoord.

Het is een aspect van de jodenvervolging dat in het nieuwste boek van de Amerikaan Daniel Jonah Goldhagen, Een morele afrekening, volledig onbesproken blijft: de vraag in hoeverre de plaatselijke parochies en gemeenten met hun eigen netwerken een zekere burgerlijke ongehoorzaamheid konden voeden.

Een morele afrekening leest als een oorverdovende donderpreek. Het boek, Goldhagens eerste sinds zijn spraakmakende Hitlers gewillige beulen, gaat over de houding van de katholieke kerk tegenover de jodenvervolging voor en in de Tweede Wereldoorlog; over al haar geledingen, maar over priesters en bisschoppen in het bijzonder en vooral over de beide pausen in dit tijdvak, Pius XI (1922 -1939) en Pius XII (1939-1958). Goldhagen klaagt hen in het bijzonder en de geestelijkheid in het algemeen aan omdat ze door (het toelaten van) een christelijk antisemitisme de motivatie van de vervolgers hebben gevoed en dikwijls daaraan actief hebben meegewerkt.

Wie moreel gesproken zo hoog van de toren blaast, moet wel op goede empirische fundamenten kunnen rekenen. Daarin schiet dit betoog zeer tekort. In het boek wordt het protest van de Nederlandse bisschoppen tegen de jodenvervolging niet gemeld. Nederland komt in deze studie toch al nauwelijks voor, met als uitzondering een illustratie van het bord `Joden niet gewenscht' aan de grens van een Nederlandse gemeente. Goldhagen leest vermoedelijk geen Nederlands; de veeltaligheid in Europa is een grote hindernis in de kennismaking met de geschiedschrijving van oorlog en bezetting die zich in de meeste landen toch nog afspeelt in een nationaal kader. Hij wijst een paar keer op het feit, dat er over de houding van de kerken in de diverse bezette landen in Europa geen samenvattende studie bestaat. Hij kent deze niet en dat zij hem vergeven. Maar hij maakt ook niet de indruk zich daarom te hoeden voor al te stellige uitspraken. In zijn moralistische bezorgdheid laat Goldhagen na zich een aantal analytische vragen te stellen, zoals over de verschillen in de bezettingsregimes in de diverse Europese landen en over de consequenties die dat had voor de plaats van de godsdienstige instellingen.

Om nog een voorbeeld te noemen: in zijn studie fungeert Denemarken als het model van een land en volk dat de Duitse vervolging van joden tot het laatst toe bestreed en, toen de deportatie op komst was, zijn joden over de Sont liet ontsnappen naar Zweden. De werkelijke verklaring ligt niet in een ongewoon heroïsch karakter van de Deense bevolking, maar in de feitelijke bezettingssituatie van Denemarken. Op 9 april 1940 besloot de Deense regering kort na het begin van de Duitse invasie tot een overgave die inhield dat Denemarken zijn zelfstandigheid zou behouden in de positie van Duitse satellietstaat. Het kwam in dezelfde verhouding tot Hitler te staan als Kroatië of Slowakije en trad dan ook toe tot het anti-Komintern pact. De Duitse machthebbers in Kopenhagen waren in de eerste plaats de diplomaten van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Berlijn, die `hun' koloniale verhouding niet bezoedeld wensten te zien door een vervolging van de Deense joden. Toen de jodenvervolging door het drijven van de nazi-partij toch werd voltrokken, was het een Duitse diplomaat die de overval in Kopenhagen liet aankondigen.

Met zijn aanklacht tegen de katholieke kerk vervolgt Goldhagen een programma, dat hij in 1996 opende in zijn geruchtmakende publicatie over het antisemitisme in de geschiedenis van het Duitse volk, Hitlers gewillige beulen: een verhandeling over de uitvoerders van de massamoord op de joden. In het nu voorliggende vervolg wordt expliciet het morele waardeoordeel aan de orde gesteld. De pausen en de bisschoppen en priesters in heel Europa, of ze nu in het bezettende Duitsland werkzaam waren of in de bezette gebieden, hebben de voorkeur gegeven aan `het toestaan en meehelpen aan de vervolging van de joden door de Duitsers en hun handlangers en zelfs het laten sterven van de joden' boven een interventie ten gunste van hen. De naoorlogse kerk, inclusief de huidige, is vervolgens tot de slotsom gekomen dat er weinig of niets valt af te dingen op de morele afwegingen die tot deze houding ten tijde van de jodenvervolging hebben geleid. Goldhagen vindt het nodig om de kerkelijke argumenten uit verleden en heden veel kritischer te beoordelen. Hij concentreert zich op de katholieke kerk, maar dat betekent in zijn ogen niet dat de protestantse kerken geen aandacht behoeven.

Pius XI en Pius XII waren in zijn ondubbelzinnige oordeel antisemieten. Want ze waren volgens hem vatbaar voor nazi-achtige lasterverhalen over joden en boden daar in hun uitlatingen en geschriften zelf de bewijzen voor. Gedurende de gehele nazi-periode hebben ze kerkelijke publicaties goedgekeurd – waaronder het tijdschrift van de jezuïeten Civiltà cattolica – die antisemitische laster en beschuldigingen verspreidden. Goldhagen wil niet beweerd hebben, dat de paus en de clerus in het algemeen actief de dood van de joden wensten. Maar `we kunnen er wel zeker van zijn dat een aanzienlijk aantal bisschoppen en priesters moedwillig bijdroeg aan de vernietiging van de joden.' En, aldus de auteur, door een gebrek aan medelijden met de joden en door politieke ondersteuning van de regimes is de katholieke kerk diep betrokken bij de misdaden van de Duitsers, Kroaten, Litouwers, Slowaken en anderen tegen de joden.

De naoorlogse kerk heeft zich trachten te verontschuldigen voor de anti-joodse uitspraken in haar leer. Tijdens het tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) is officieel verklaard dat de joden niet verantwoordelijk zijn voor Jezus' kruisdood. Dat men in de liturgie van de Goede Week zong over de `perfide' joden die Christus hadden gekruisigd, wil niet zeggen dat men bereid was joden naar de gaskamer te brengen. Tussen het zogeheten `anti-judaisme' en het actieve antisemitisme loopt een grens die Goldhagen niet wil erkennen. In een aantal landen – bij voorbeeld Frankrijk – heeft de nationale conferentie van bisschoppen verklaard het te betreuren dat de kerk de vervolging van joden niet heeft kunnen voorkomen. In Duitsland is het zwijgen van de kerken over de Kristallnacht, de eerste nazi-actie tegen de joden in 1938, gekritiseerd. In het Vaticaanse document dat in 1998 onder verantwoordelijkheid van paus Johannes Paulus II is uitgegeven, werd het eigen aandeel van de kerk in de ontwikkeling van het antisemitisme achteraf veroordeeld. Goldhagen vindt deze schuldbekentenissen echter onvoldoende omdat daarin de ware omvang van het kerkelijke antisemitisme wordt ontzien.

Godsdienst is naast de dogmatiek in wezen een kwestie van ethiek. In die zin is Goldhagen aan het goede adres, wanneer hij de zedelijke aspecten van de kerkelijke houding ten opzichte van de jodenvervolging aan de orde stelt. Maar zijn beschuldiging komt voort uit verontwaardiging die verblindt waar onderscheid en analyse gevraagd zijn; instrumenten van een empirische waarheidsvinding. Hij waarschuwt zijn lezers, dat er weliswaar `uitzonderingen' waren op de meerderheid van geestelijken die voor antisemitisme kan worden aangeklaagd, maar de lezer dient zulke uitzonderingen te vermoeden want hij maakt er niet steeds melding van. Kenmerkend is het bovendien, dat hij over hen spreekt in termen van een uitzondering; onverklaarbare lichten in een zee van duisternis.

Juist verscheidenheid kenmerkte de positie van de katholieke kerk per land en zelfs per streek. Sinds de negentiende eeuw hebben de pausen – de onlangs heilig verklaarde Pius IX voorop – steeds meer centraal gezag willen verwerven en die autoriteit door het zogeheten dogma van de pauselijke onfeilbaarheid theologisch ook willen bevestigen. Maar tussen eenhoofdig gezag en de interne werkelijkheid bestonden nog wel verschillen. De – vaak impliciete – veronderstelling van een gecentraliseerd machtsapparaat, het Vaticaan, dat zich in alle hoeken van Europa kan doen gelden, gaat voorbij aan nationale historische bijzonderheden of aan de variatie van bisschoppelijke personen en diocesane tradities. Er bestaat trouwens een canonieke autonomie voor de afzonderlijke bisschoppen die op een eigen wijze hun houding konden bepalen ten opzichte van het nationaal-socialistische regime. Zij werden daartoe ook genoodzaakt doordat tijdens de oorlog in veel bezette landen slechts gebrekkig contact was met Rome.

Een korte blik op de historische kaart van het bezette Europa laat zien, dat er sprake is van verschillende bezettingsregimes. In West-Europa en in Scandinavië werden gevestigde staten door de Duitse invasiemacht veroverd. De kernen ervan werden door Hitler intact gelaten, met uitzondering van Luxemburg. In Oost-Europa was niet alleen de bezettingspolitiek harder en wreder maar werden sommige staten – producten van de vredesonderhandelingen na de Eerste Wereldoorlog – vernietigd en andere herschapen. Bovendien was Hitlers agressie voorafgegaan door de veroveringspolitiek van Stalin in de Baltische staten of daarmee gecombineerd in Polen. Dat leidde er toe dat soms hulp bij de ene dictator werd gezocht tegen de andere. Die historische achtergrond kan niet worden veronachtzaamd, wanneer men de houding van kerkelijke ambtsdragers in relatie tot de jodenvervolging beoordeelt.

In sommige landen in Oost-Europa is de katholieke kerk (of de lutherse of de calvinistische of de orthodoxe) nauw verbonden geweest met een opkomend nationalisme. Dat geldt bij voorbeeld in de Donau-monarchie of in het Russische rijk. Priesters behoorden in de negentiende eeuw met onderwijzers en advocaten tot de intellectuele voorhoede van een nationale literaire bewustwording, van een herontdekking van de eigen taal. Toen na de Eerste Wereldoorlog dit nationalisme in een eigen staat werd gekanaliseerd, werd de kerk daarvan een van de dragende instituten. Was dat niet het geval, was in 1918 het gekozen staatsverband te groot voor de eigen aspiraties, dan werd diezelfde kerk een toevluchtsoord van nationalistisch verzet. In de veroveringen van Hitlers Duitsland werden zulke banden bevestigd. Nieuwe satellietstaten als Slowakije of Kroatië, die hun nationale zelfstandigheid dankten aan de verdeel- en heerspolitiek van de nazi's, konden daarom rekenen op een kerkelijke adhesie. Maar in die adhesie moet men wel een precies onderscheid blijven zoeken tussen politieke steun en daadwerkelijke bijdragen aan de moord op de joden.

Ook in Polen (en in Litouwen) was de katholieke kerk vanouds een factor van belang in het nationale bewustzijn. Waar de overheersing van de tsaren een verbreiding van de Russische orthodoxie met zich meebracht, was het katholicisme voor de overheerste volkeren een bijdrage tot de nationale identiteit. Toen Polen door de Duitse Wehrmacht en door de Russen was veroverd in 1939, werd de staat vernietigd. Zijn grondgebied werd opgedeeld in bezettingszones, waarvan er één – de Warthegouw in het westen – werd ingericht volgens zogeheten Germaanse beginselen. Dat betekende aldaar een eliminatie van de regionale katholieke kerk. Een studie van het Poolse katholicisme kan niet voorbijgaan aan zijn eeuwenoude traditie van `anti-judaisme' of van actiever antisemitisme. Maar ze kan evenmin het streven van de nazi's veronachtzamen om de Poolse kerk en haar intellectuele elite te vervolgen en zo nodig te elimineren, omdat dit Slavische volk behoorde tot de Untermenschen.

Goldhagen concentreert zich op de jodenvervolging. Er zijn evenwel ook andere dimensies in de houding van de kerken. Voor de tijdgenoten was het nationaal-socialisme niet alleen een ideologie waaruit vanaf 1941 de deportaties zijn voortgekomen. De christelijke kerken bestreden deze ideologie op twee andere terreinen. Het ene was de totalitaire gelijkschakeling; dat wil zeggen de politieke aanval op de verenigingen en het onderwijs, het maatschappelijk middenveld, waarmee deze kerken zich in de samenleving hadden gemanifesteerd. Het andere was de opkomst van een Duits-nationaal racisme dat onverenigbaar werd geacht met het universalisme van het christendom. In het laatste geval sprak men van neopaganisme, van een `nieuw heidendom', omdat de weliswaar geseculariseerde maar op een Germaanse superioriteit gebaseerde levensbeschouwing gezien werd als een gevaar voor of een concurrent van het christelijk geloof.

Zulke woorden werden uitgesproken in een tegen het nationaal-socialisme uitgevaardigde encycliek in 1937 (Mit brennender Sorge). Ze waren neergeschreven door dezelfde paus Pius XI, die in 1933 een concordaat had gesloten met nazi-Duitsland omdat het Vaticaan neutraal was tegenover de politieke staatsvorm en alleen gericht was op de staatkundige garanties voor de zielzorg en het onderwijs in de Duitse samenleving. De leiding van de katholieke kerk is opgekomen voor de katholieken in Duitsland. Ze heeft uit de verwerping van een Germaans racisme evenwel niet de consequentie getrokken vooral te moeten opkomen voor de eerste slachtoffers daarvan, de joden.

Goldhagens boek is, zoals de titel al aangeeft, meer moraal dan wetenschap. Hij zegt het zelf ook in een voetnoot: het boek moet niet worden opgevat als een `historiografische exercitie'. Het gevolg is, dat het zwijgen van veel katholieke ambtsdragers over de jodenvervolging in deze studie te makkelijk en te snel wordt voorzien van het begrip `antisemitisme', dat door deze frequentie ook aan precisie en betekenis verliest. Goldhagen heeft bovendien onvoldoende oog voor de variaties in de Duitse bezetting van Europese landen en voor de historische factoren die de houding van deze of gene bevolking en dus ook de in die bevolking gewortelde kerken hebben gedetermineerd. Het is een boek waarin de morele letselschade een belangrijker uitkomst is dan de historische waarheid.

Door alle relevante verscheidenheid in het katholicisme schijnt het centrale gezag van de paus. Hij leidde in de katholieke kerk het ideologisch debat met het nationaal socialisme en hij was het symbool bij uitstek van een katholieke houding. Daarom is er één vraag, die al vóór Goldhagen werd aangesneden en ook na zijn boek zal aanhouden: Waarom heeft paus Pius XII niet in het openbaar geprotesteerd tegen de jodenvervolging? Hij heeft zijn Nederlandse aartsbisschop in diens herderlijke brief achteraf wel gesteund maar deze niet overgenomen.

Pius XII mag dan door het zwijgen over de deportaties en de vernietigingskampen in zijn openbare verklaringen niet anders hebben gehandeld dan westerse staatslieden zoals Roosevelt of Churchill of internationale organisaties zoals het Rode Kruis, het is in termen van een moreel waardeoordeel evenwel niet genoeg. Want voor wie zich als paus de Plaatsbekleder van Christus noemt, gelden hogere maatstaven van zedelijkheid. Het beeld van een Pius XII die aan de poort van Auschwitz klopt en verantwoording vraagt, is niet meer dan een visioen gebleken. Hij was en bleef de paus van de katholieken; niet van de wereld.

Daniel Jonah Goldhagen: Een morele afrekening. De rol van de katholieke Kerk in de holocaust en haar onvervulde plicht tot herstel. Vertaald uit het Engels door Jan Bos. De Bezige Bij, 381 blz. €29,50.

Oorspronkelijk verschenen als A Moral Reckoning, Knopf, 352 blz. €34,55

Gerectificeerd:

Bij de bespreking van Daniel Goldhagens Een morele afrekening (Boeken, 25.10.02) stond vermeld dat het boek was vertaald door Jan Bos. Dat is onjuist. De vertaling is van de hand van Amy Bais, Rob van Kan, Jantsje Post en Louw Dijkstra. Bos verzorgde de redactie en productie.