Terug

Vijftien jaar was Arnon Grunberg niet meer in zijn oude school geweest, het Vossiusgymnasium in Amsterdam-Zuid, maar gisteren was het zover. Met vriendin Aaf Brandt Corstius en uitgever Reinjan Mulder meldde hij zich 's morgens om negen uur bij het fraaie schoolgebouw aan de Messchaertstraat. Hij mocht meteen doorlopen naar de lerarenkamer, dat voor leerlingen zo geheimzinnige domein waar hun natuurlijke tegenstanders zich tussen de lesuren in berenvellen hullen om krijgsdansen met elkaar uit te voeren.

Daar volgde een hartelijk weerzien met enkele leraren, onder wie lerares Nederlands Marijn van Lelyveld, een dochter van Hella Haasse, aan wie hij ooit bekende dat hij acteur wilde worden. ,,Ik hoop dat je iets met je talent gaat doen. Later!'' schreef ze onder een van zijn opstellen en ze onderstreepte dat woordje `later' wel twintig keer. Ze vond dat hij eerst maar eens zijn school moest afmaken.

Het is allemaal terug te lezen in Grunbergs debuut Blauwe maandagen, waar Van Lelyveld als mevrouw Haaseveld figureert, een bezorgde lerares die haar uiterste best doet Grunberg bij de les te houden. Het lukte niet. In de vierde klas bleef hij zitten, en toen zijn cijfers in het doublurejaar opnieuw onvoldoende waren, moest hij tegen Pasen van school af.

,,Ik heb er alles aan gedaan'', zegt ze er achteraf van, ,,ik ben vaak bij zijn ouders geweest en heb veel tegen hem aangepraat, maar hij wilde gewoon niet, hij was met heel andere dingen bezig.''

Later die morgen, nadat Grunberg in een goed bezette aula enkele hoofdstukken uit zijn werk heeft voorgelezen, zal een van de leerlingen hem vragen of hij zijn laksheid op school achteraf niet betreurt. ,,Nee'', zegt hij dan, ,,ik geloof niet dat ik gelukkiger was geweest als ik het Vossius had afgemaakt.''

Het acteurschap, destijds zijn belangrijkste ambitie, kwam gek genoeg op deze morgen weer bovendrijven toen Grunberg begon voor te lezen. Ik had hem dat nooit eerder horen doen en een heel andere toon verwacht: laconieker, onhandiger.

Maar Grunberg wierp zich als een volleerd acteur op zijn teksten, gedreven en met veel gebaren declamerend. Het was bijna te professioneel. Werd er daarom zo weinig gelachen, afgezien van het groepje fijnproevende leraren aan de kant? Alsof hij met zijn nadrukkelijke voordracht te weinig lucht gaf aan de navrante humor van zijn teksten.

Waarom wilde hij zo graag even terug naar zijn oude school? ,,Ik heb positieve en negatieve ervaringen met de school'', zei hij. ,,Het is een belangrijke periode uit mijn leven geweest. Schrijvers zijn gevangenen van hun verleden, ze zijn veel minder met de toekomst bezig. Het Vossius laat me nog steeds niet los, ik droomde er deze zomer zelfs van.''

Zouden zijn leraren nog wel eens van hém dromen? Ik denk het niet, maar misschien zijn sommigen wel bezorgd gebleven. Want zijn boeken en columns kunnen alarmerend sombere zinnen bevatten. Zoals deze passage over een ex-vriend onlangs in zijn column in Humo: ,,Je was dood, en je bent dood, al vrees ik dat de dag dat ik ook mezelf dood moet verklaren niet ver weg meer is.''

    • Frits Abrahams