Met claimen is vaak niets mis

De claimcultuur draagt bij tot betere dienstverlening. Maar toch moet de aandacht vooral gericht zijn op vooorkoming van schade, vindt Willem van Boom.

Aansprakelijkheidsrecht is een gewild gespreksonderwerp. Niet zelden worden ontwikkelingen en incidenten, die in het beste geval slechts bij benadering iets met elkaar van doen hebben, op één hoop gegooid. Dat is kwalijk. Bovendien valt te beluisteren dat toenemende claimbereidheid slecht is. Ten onrechte, want vaak is er helemaal niets mis met claimen.

Dat het AD schadevergoeding uitbetaalt aan een publieke persoon die in een serieus krantenverhaal ten onrechte beschadigd wordt door de bewering dat hij een strafblad heeft, is terecht. Zo'n schadevergoedingsplicht prikkelt kranten om berichtgeving die schadelijk kan zijn voor publieke personen, op juistheid te controleren. Dat is iets anders dan een claim tegen de NCRV wegens een kwetsende parodie van Paul de Leeuw. Er bestaat verschil tussen serieuze berichtgeving en entertainment. Het NCRV-relletje laat zien dat claimcultuur soms alleen maar media-cultuur is.

Bekende Nederlanders die elkaar voor rotte vis uitmaken en er een claim tegenaan gooien, dat is smullen. Heel Nederland weet ervan, en die media-aandacht is precies wat een claimant nodig heeft. De juridische waarde van de claim – if any – is ondergeschikt aan de negatieve aandacht die de claimant hoopt te vestigen. Dat dergelijke claims voornamelijk gewicht door de media-aandacht krijgen, is op zichzelf niet nieuw. Het is wel triest dat de intensiteit van de media-aandacht omgekeerd evenredig kan zijn aan de inhoudelijke waarde van de claim.

Het dubieuze aspect van claims met nieuwswaarde is dat zij soms puur vanwege de media-aandacht als breekijzer fungeren, terwijl een weldenkende rechter de claim zou afwijzen. Het toegeven aan claims onder druk van media-aandacht leidt tot een tweedeling tussen slachtoffers die wél toegang tot de media hebben en slachtoffers die dat niet hebben.

En media-aandacht kan ook leiden tot een vertekende publieke perceptie van het recht zoals het is. Uit berichten over de belachelijke bedragen die Amerikaanse lekenjury's toewijzen, blijft het idee hangen dat je van claimen flink rijk kunt worden, en dat voor al je ellende een ander aansprakelijk is. Maar Nederland is geen Amerika. Als in Nederland een claim wordt toegewezen, dan gaat het vooral om vergoeding van werkelijk geleden schade. Van een werkneemster met burn-out die 80.000 vergoed krijgt, moeten we niet denken dat ze voortaan de bloemetjes kan buitenzetten. Het betreft goeddeels gederfd inkomen dat zij daadwerkelijk heeft moeten missen door arbeidsongeschiktheid. Dat zij die schade op een ander tracht te verhalen, is heel begrijpelijk.

Daarnaast kan een claim ook tot grotere zorg prikkelen. Zo beschouwd is het goed dat werknemers die door hun werk ziek worden hun schade claimen, want dat draagt bij aan serieuze preventie van beroepsziekten. Een dergelijke claim is ook helemaal geen Fremdkörper in ons recht. In het geheel van verplichtingen van werkgevers tegenover werknemers – van Arbonormen naar loondoorbetaling bij ziekte tot reïntegratie bij herstel – valt een claim voor blijvende arbeidsongeschiktheid door het werk niet uit de toon.

Wel zorgelijk aan deze werkgeversaansprakelijkheid is dat het systeem aan eigen succes ten onder dreigt te gaan. Een geslaagde claim leidt namelijk tot 100 procent vergoeding; dat arbeidsongeschikten steeds vaker claimen bij werkgevers voor beroepsziekten, hangt dus samen met de steeds schralere sociale zekerheidsuitkeringen. Maar dat niet alleen. De regels voor claims van werknemers zijn de afgelopen jaren `werknemer-vriendelijker' geworden. Bovendien gelden die regels nu blijkbaar ook voor psychische beroepsziekten. Het onderscheid tussen beroepsziekte en arbeidsconflict dreigt hierdoor te vervagen, waardoor een hausse aan claims te verwachten valt die vroeger door de WAO werden afgedekt of door een (lagere) ontbindingsvergoeding.

Werkgevers staat wat dit betreft nog veel te wachten, en aansprakelijkheidsverzekeraars dus ook. En die trekken vroeg of laat de stekker eruit, want aansprakelijkheidsverzekeraars kunnen niet opeens betaalbaar maken wat vroeger met sociale zekerheid onbetaalbaar bleek.

Meer dan ooit moet de aandacht dan ook worden gericht op voorkoming van schade, maar dat blijft een blinde vlek in de claimcultuur. Letselschadeadvocaten, vakbonden en belangenorganisaties maken goede sier met bijstand in een eis tot schadevergoeding. Maar voorkomen is in de regel beter dan achteraf vergoeden. Het menselijk kapitaal dat aan het innen van schadevergoeding opgaat, zou dus eigenlijk beter kunnen worden ingezet ter voorkoming van dit soort schade. Juridische ondersteuning bij het claimen van schadevergoeding is een armoedig alternatief voor proactieve veiligheidszorg.

Bij beschouwing van het verschijnsel claimcultuur blijkt dat de échte veranderingen in de consumenten- en letselschadesfeer plaatsvinden. Dat bedrijven elkaar met claims bestoken, kan geen nieuws zijn. En dat consumenten steeds vaker met succes claimen, is niet per definitie slecht. Het prikkelt dienstverleners tot zorgvuldiger dienstverlening, betere informatie en terughoudender acquisitie. Zolang rechters geen bovenmenselijke zorg eisen, draagt de claimcultuur daarom bij tot kwaliteitsverbetering van dienstverlening. Dat is blijkbaar nodig, alle toezichtsinstrumenten en tuchtnormen ten spijt.

Prof.mr. W.H. van Boom is als hoogleraar verbonden aan het Centrum voor aansprakelijkheidsrecht van de Universiteit van Tilburg.