Japans bezettingsmodel werkt niet in Irak

De bondgenoten van Amerika hebben terecht reserves over de manier waarop Washington Irak opnieuw wil inrichten na een militaire campagne tegen Saddam Hussein, meent Jonathan Eyal.

Officieel streeft de Amerikaanse regering nog altijd naar één enkele resolutie van de VN-Veiligheidsraad die militair optreden tegen het Irak van Saddam Hussein toestaat. Maar de echte discussie binnen het Witte Huis gaat over de vorm van Irak nadat de oorlog voorbij is. In een reeks bewuste lekken naar de media hebben leden van de regering in Washington laten weten dat de voorkeur nu uitgaat naar het model van de geallieerde bezetting van Japan na de Tweede Wereldoorlog: de eis van een totale overgave, gevolgd door de instelling van een Amerikaans militair bestuur in Irak, een volledige ontwapening van het land en pas na geruime tijd een terugkeer naar een Iraaks burgerbewind, op basis van een nieuwe grondwet die wordt opgesteld naar Amerikaanse prioriteiten en berust op `democratische beginselen'.

De bondgenoten van Washington – en vooral de Britten – weigeren aan deze discussie mee te doen, deels omdat niemand, met uitzondering van de VS, zich officieel verbindt tot de afzetting van Saddam. Maar heimelijk staan de meeste Europese bondgenoten uiterst sceptisch tegenover een herhaling van het Japanse bezettingsmodel in Irak. Als de VS aan hun standpunt vasthouden, zou hun militaire optreden in het Midden-Oosten één van de gevaarlijkste ondernemingen in vele jaren worden.

Het is eenvoudig in te zien waarom het Witte Huis heeft besloten zulke ogenschijnlijk gevoelige gegevens over haar toekomstplannen te laten uitlekken. Maandenlang is de VS verweten dat ze het wel gemunt hadden op Saddam Hussein en zijn wapens, maar geen idee hadden waar ze met Irak naartoe wilden. De toekomstige vorm van een regering in Bagdad blijft een van de heetste hangijzers, en het tot dusver vage standpunt van Washington in dezen heeft de internationale spot alleen maar verder opgewekt. De gedachte om een Iraakse regering op brede basis te installeren, met inbegrip van alle politieke emigranten die op het ogenblik in het Westen verblijven, is niet erg overtuigend, gezien de diepe verdeeldheid die er nog altijd tussen deze emigranten bestaat en het feit dat enkelen van hen voorname aanhangers van Saddam zijn geweest – precies dezelfde mensen die verantwoordelijk waren voor de wreedheid van het bewind.

Het idee een militaire staatsgreep van binnenuit te bevorderen, ook iets wat Washington kortstondig heeft overwogen, is evenmin erg aanlokkelijk, want dat betekent in wezen dat Irak veel van zijn huidige militaire apparaat zou mogen behouden en een dictatuur zou mogen blijven, mits de naam van de dictator maar geen Saddam Hussein luidt. En veel Amerikaanse bondgenoten zagen nog een probleem opdoemen: de belangstelling van Washington voor een naoorlogse wederopbouw. Bij de laatste twee grote conflicten onder aanvoering van de VS, de oorlog in Kosovo in 1999 en de operaties in Afghanistan het afgelopen jaar, heeft het Amerikaanse leger zijn vijanden bestookt met ontzagwekkende wapens. Maar zodra Washington besloot dat de directe doelstellingen waren bereikt, vertoonden de VS een totaal gebrek aan belangstelling voor het vervolg. In beide oorlogen leverden de Europeanen, onder leiding van de Britten, het merendeel van de strijdkrachten die zorgden voor een terugkeer naar een burgerbewind en het begin van een poging tot humanitaire wederopbouw.

Door onderdelen van het huidige plan voor het naoorlogse Irak te laten uitlekken, willen de VS veel van deze twijfel bij hun bondgenoten wegnemen. De boodschap uit Washington is nu dat Amerika bereid is om jarenlang een troepenmacht van tienduizenden in te zetten, in een poging Irak letterlijk weer van de grond af op te bouwen. Maar de werkelijke boodschap lijkt te zijn dat het Witte Huis zich ermee heeft verzoend dat de operatie niet zal eindigen met de val van Saddam, maar zal worden voortgezet met een langdurige campagne om het hele militaire evenwicht in het Midden-Oosten te herstellen, door in Irak democratie en stabiliteit te brengen. De bondgenoten die klaagden over het ontbreken van een samenhangend Amerikaans plan, hebben zo hun antwoord. Waarom mokken ze – en vooral de Britten – dan nog? Hoofdzakelijk omdat maar weinigen van hen geloven dat het huidige plan uitvoerbaar is, of dat het de eerste schoten in een echte oorlog zal kunnen overleven.

Het is een aansprekende vergelijking die de Amerikanen trekken tussen hun bezetting van Japan, bijna zestig jaar geleden, en de plannen voor een naoorlogs Irak: een land dat in de Tweede Wereldoorlog over het hele Aziatische continent terreur verspreidde, verrees uit de as als een levendige democratie, een aanvankelijk snel groeiende economie, een trouw aanhanger van vrede in het gebied en bovendien een bondgenoot van de VS. In theorie zit er iets in om die ervaring in Irak te herhalen. Maar de vergelijking gaat op elk niveau mank. Japan was een etnisch homogene staat binnen een duidelijk omlijnd grondgebied; Irak is een betrekkelijk nieuwe politieke schepping, met een lappendeken van etnische groepen en godsdiensten, en met poreuze en vaak slecht afgebakende grenzen.

De nederlaag van Japan had in de jaren veertig de steun van alle Aziatische landen; de totale nederlaag van Irak tegen de VS wordt door geen enkel buurland en maar weinig andere landen op de wereld gesteund. En bovenal: toen de VS in 1945 in Japan hun bezettingsbestuur vestigden, deden ze dat als leider van een wereldcoalitie die vastbesloten was om de militaire heersers in Tokyo voor hun misdaden te straffen. Generaal Douglas MacArthur, de man die destijds verantwoordelijk was voor het herstel van Japan, kreeg zelfs vaak eerder het verwijt dat hij voor een aantal van die misdadigers een oogje toekneep dan dat hij te hard was voor het land. Maar wat in 1945 aanvaardbaar werd geacht, zal nu niet meer aanvaardbaar zijn; de aanblik van Amerikaanse troepen die jacht maken op Iraakse `oorlogsmisdadigers' (van wie er nog maar tien jaar geleden heel wat werden gefêteerd door westerse wapenhandelaren), zal vast niet worden beschouwd als onpartijdige rechtspleging. En de instelling van een nieuwe regering in het land zal niet door iedereen als een belangeloze Amerikaanse daad worden erkend.

Heimelijk zijn de Amerikaanse bondgenoten bang dat het plan als het wordt uitgevoerd tot een ramp zal leiden. Het bewind van Saddam Hussein zal waarschijnlijk tamelijk snel ineenstorten. En het is best mogelijk dat de komst van Amerikaanse troepen in Bagdad door de plaatselijke bevolking zal worden verwelkomd; de voorspellingen dat de Amerikanen in Afghanistan zouden worden bespuugd bleken tenslotte ook onjuist. Maar een langdurige legering van Amerikaanse troepen in alle hoeken en gaten van het land zal algauw wrevel wekken, vooral als die gepaard gaat met periodieke arrestaties van plaatselijke functionarissen. De Koerden in Noord-Irak en de sjiitische bevolking in het zuiden van het land zullen algauw beseffen dat de aanwezigheid van Amerikaanse troepen bedoeld is om hun onafhankelijkheid van het bewind in Bagdad te verhinderen; de bevrijders van gisteren zullen al snel in bezetters veranderen. Geen enkele gewone Arabier zal aanvaarden dat een nieuwe Iraakse regering niet meer is dan een schoothondje van Washington. En zo'n regering zal geen ogenblik meer voortbestaan na de terugtrekking van de Amerikaanse troepen. Naarmate de bezetting voortduurt zullen er in de westerse media gaandeweg verhalen over vermeende Amerikaanse wreedheden verschijnen, terwijl de publieke opinie in de hele wereld ervan overtuigd raakt dat Irak gewoon weer een kolonie is waar de aanzienlijke oliereserves zullen worden uitgezogen.

De Amerikaanse bondgenoten verlangen van de VS een samenhangend plan, maar de huidige voorstellen hebben de samenhang van een nachtmerrie. Waarom hebben de Europeanen die deze voorstellen de laatste dagen zorgvuldig hebben geanalyseerd dan besloten hun kritiek vrij rustig te houden? Hoofdzakelijk omdat ze vermoeden dat het plan feitelijk tot doel heeft geschillen binnen de Amerikaanse regering te beslechten.

Die regering blijft verdeeld over de vorming van een alternatieve Iraakse regering; de Amerikaanse inlichtingendiensten denken dat die te verwezenlijken is met de tegenstanders die zich op dit moment in ballingschap bevinden, terwijl het Amerikaanse leger zich niet op een toekomstige regering vast wil leggen, in de hoop dat dit misschien zal leiden tot een militaire staatsgreep in Bagdad en een vlug einde aan de oorlog. De regering in Washington is ook verdeeld over de toekomst van de Iraakse strijdkrachten; sommigen vinden dat die moeten worden ontmanteld, terwijl anderen van mening zijn dat Irak als Saddam Hussein eenmaal is afgezet moet worden ontdaan van zijn massavernietigingswapens maar wel een serieuze militaire slagkracht moet behouden, als tegenwicht tegen Iran en andere Arabische buurlanden. Het huidige plan voor een algehele militaire bezetting vertegenwoordigt een ambtelijk compromis van al deze elementen: zodra het land geheel onder controle is, zouden de VS kunnen besluiten of er een regering wordt gevormd van westerse emigranten of van binnenlandse elementen, en welke troepen Irak zal mogen houden.

Het probleem voor de Amerikaanse bondgenoten in Europa is dat hun nu een plan is voorgelegd dat vermoedelijk wel samenhangend is maar dat weinig kans heeft om te werken, terwijl ze weten dat de echte oorlogsplannen van Amerika op ieder moment nog kunnen veranderen. Het huidige plan voor een algehele bezetting van Irak zegt meer iets over de ambtelijke geschillen in Washington dan over de werkelijke opstelling van Amerika aan het einde van de oorlog.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute in Londen.

www.nrc.nl dossier Irak