Desertie

Waar waren we gebleven? Aankomst in Saint-Louis na vliegreis. Plaats van huisvesting voor drie nachten: de campus van de universiteit. Althans in het nieuwbouwgedeelte van de universiteit, dat zo nieuw is dat het cementstof nog op de vloer en de wastafel ligt. Er was water bij aankomst, gisterenavond. Een beetje. Op de benedenverdieping. De eerste vijf minuten. Op de eerste verdieping kwam alleen lucht uit de kraan. Het eenpersoons studentenkamertje stond bol van de hitte.

Rustdag te Saint-Louis. Een korte nacht op een van zweet doordrenkt matras. Dorst. Het was nog donker. Het flessenwater was deels opgegaan aan een wasbeurt, deels aan het nachtelijke spoelen van de mond. Zijn deze banaliteiten wel interessant genoeg om te verslaan?

Het was dus nog donker. Ik stond op en probeerde de douche: lucht. Het goede nieuws was dat mijn ingewanden hun Europese ritme hervonden hadden. Ze ontwaakten pas bij de eerste stappen van de dag. Het duurde even voor ik het gemeenschappelijke toiletblok op de gang had getraceerd. Ik opende een deur, maar deed die snel weer dicht. Ik opende een tweede deur. Idem. De derde was op slot. Noch hoeft te worden beschreven hoe een hurktoilet met watergebrek er uitziet na nachtelijk gebruik door een hele bovenverdieping, noch is het naar mijn smaak nodig iets te zeggen over de stank.

Terug op het kamertje zocht ik naar een oplossing voor mijn krachtige en gezonde darmperistaltiek. Er was haast bij. Koud zweet stond op mijn rug. Ik liep naar het geopende raam. In principe was de vensterbank breed genoeg voor een stabiele zit. Kon iemand me zien? Het was de achterkant van het gebouw. Beneden onder het raam lag in een blauwe schemer bouwpuin op een hoop. Wat kon ik doen? Dit was voor drie dagen. Of in een plastic zak? In mijn koffer zat nog een ongebruikte koerstrui in plastic. Tissues had ik in mijn toilettas. Wat te doen in godsnaam?

Na het ontbijt in de mensa heb ik mijn koffer gepakt. In de laadbak van een pick-up liftte ik naar Saint-Louis centrum. Op eigen verteer. Ik deserteerde uit de ploeg Senegal Mixte en nam mijn intrek in Hotel de la Poste, in het hart van de stad. Ik bleek niet de enige deserteur.

Oh, Saint-Louis, prachtige naar vis en afval stinkende parel. Saint-Louis, stad van venters en oplichters. Stad van bedelaars, van goud en van Mercedessen. Stad van geitenhoeders, van naakte kinderen in de gele rivier. Stad van slapende vleermuizenkolonies in dichte boomkruinen. Stad van cybercafés, van goede restaurants, van oud-koloniaal verval. Prima stad dus om er de rustdag door te brengen.

Met de achterblijvers kwam het ook nog goed. In de loop van de middag herstelde de tourorganisatie haar foutje. Men werd overgebracht naar een deftig complex met zwembad. Tien kilometer uit het centrum, dat wel.

    • Peter Winnen