Jakarta predikt weer tolerantie

Radicale organisaties kunnen niet langer hun gang gaan in Indonesië. Jakarta vindt het tijd de verworvenheid van religieuze tolerantie te beschermen.

Indonesië, dat bij strategen van de antiterreurcampagne te boek stond als hardleers, is een modelleerling geworden. Religieuze fanatici, die hun bewondering voor de terrorist Bin Laden niet onder stoelen of banken staken en zich beriepen op godsdienstige leerstukken als zij andersdenkende medeburgers te lijf gingen, werden tot voor kort uit angst voor de volkswoede gespaard. Intussen zitten de belangrijkste scherpslijpers vast op verdenking van geweldpleging, vandalisme en terreur.

Vrijdag heeft de regering per decreet het oppakken van vermeende terroristen vereenvoudigd. Zaterdag werd de radicale geestelijke Abu Bakar Ba'asyir op zijn ziekbed gearresteerd wegens betrokkenheid bij bomaanslagen en het beramen van een aanslag op president Megawati Soekarnoputri. Hij was niet de eerste arrestant; twee geestverwanten gingen hem voor.

Tegen Ja'far Umar Thalib, de oprichter en `commandant' van de Laskar Jihad, een legertje fanatici dat sinds mei 2000 oorlog voerde tegen christenen in de Molukken en Midden-Sulawesi, loopt een proces in Jakarta wegens opruiing. In maart riep hij zijn militante aanhang in een moskee op Ambon op het Molukse vredesakkoord van februari te saboteren. Thalib werd opgepakt en begin deze maand is zijn legertje ontbonden. Vorige week keerden zo'n duizend Laskar Jihad per schip terug naar hun woonplaatsen op Java en Sulawesi.

In september sloeg het Front voor de Verdediging van de Islam (FPI), dat zich opwerpt als de particuliere zedenpolitie van Jakarta, voor de zoveelste maal een biljartzaal annex nachtclub in de hoofdstad aan gruzelementen. Deze keer stond de actie op video en de leider van het FPI, Habib Muhammad Rizieq Syihab, een schriftgeleerde van Arabische afkomst, werd gearresteerd. Er kwam in Jakarta zowaar een betoging op de been van verontruste moslims die Syihab beschuldigden van misbruik van de islam.

,,Het weer is omgeslagen'', zegt een westerse diplomaat en de barometerstand lijkt hem te bevallen. Niet alleen in regeringskringen, die beroepshalve communiceren met de buitenwereld, maar ook in het nogal parochiale milieu van religieuze massaorganisaties en zelfs op straat is de stemming omgeslagen.

Jakarta staat onder zware druk van buurlanden en de Verenigde Staten om op te treden tegen radicale moslimgroepen, die zij verdenken van connecties met Midden-Oosterse terroristen. Dat Jakarta daar nu gehoor aan geeft, is niet louter angst te worden afgesneden van internationale geldstromen. De bommen die op 12 oktober bijna tweehonderd vakantiegangers op Bali de dood injoegen, hebben de Indonesiërs diep geraakt. Het land schaamt zich omdat het zijn gasten dit lot niet heeft kunnen besparen.

De aanslagen op Bali waren de druppel die de emmer van allengs gegroeide ergernis deed overlopen. Al voor op Bali de bommen barstten, tekende zich een kentering af. De hagenpreken en het sabelgekletter van een handjevol radicale moslims wekten steeds meer weerzin bij de zwijgende meerderheid der Indonesiërs, die openlijke ruzies mijdt en niet dag-in-dag-uit met absolute waarden wenst te leven. Dat is de voornaamste reden waarom tijdens de jongste zitting van het Volkscongres, in augustus, de zoveelste poging der scherpslijpers om de islamitische wet in te voeren jammerlijk faalde.

Radicalen als Abu Bakar Ba'asyir hadden sinds de val van Soeharto het tij mee. Zij waren onder diens autoritaire bewind naar het buitenland of ondergronds gedreven. Toen de greep van militairen en bureaucraten in 1998 verslapte, keerden zij huiswaarts en hervatten hun fundamentalistische propaganda, ditmaal bovengronds. Uitgerangeerde en verbitterde kopstukken van het Soeharto-bewind, onder wie hoge militairen en rijke zakenlui, voorzagen deze avonturiers van geld en wapens in de hoop zo de ontluikende democratie de nek om te draaien. Islamitische organisaties, ook die van de gematigde hoofdstroom, aarzelden om hun radicale geloofsgenoten te veroordelen. Het grote publiek was vooral bang.

Intussen is het tij gekeerd. De regering beseft dat ook een kleine minderheid van religieuze scherpslijpers het land naar de knoppen kan helpen door een sfeer van onveiligheid te scheppen en het imago van Indonesië als een gematigde en tolerante moslimnatie te ondermijnen. Bovendien is het besef groeiende dat deze rafelrand een vrijplaats biedt voor terroristen met internationale connecties.

Voorgangers van de gematigde hoofdstroom hebben hun stilzwijgen verbroken. De twee grootste moslimorganisaties, Nahdlatul Ulama en Muhammadiyah, samen zo'n 70 miljoen leden, hebben instemming betuigd met de antiterreurdecreten. Ahmad Syafii Maarif, voorzitter van Muhammdiyah, wuifde het verweer der radicalen dat zij buiten de wet worden geplaatst, weg: ,,Als zijzelf de wet respecteren, hebben zij niets te vrezen.''

    • Dirk Vlasblom