Irak en de verkiezingen

Er zal wel iets moeten gebeuren als deze twee historische gebeurtenissen tegelijkertijd zouden plaatsvinden, maar het is niet meer uit te sluiten dat de aanval op Irak samenvalt met de Nederlandse verkiezingen. Dit betekent dat deze campagne niet alleen over de wachtlijsten, de hypotheekrenteaftrek, de asielzoekers en de files zou moeten gaan. De partijen moeten ook laten weten wat volgens hun inzicht de Nederlandse positie in deze oorlog zou moeten zijn. Dat hoort dan niet in vage frasen te worden geformuleerd; niet dat Nederland zich tegen het terrorisme en massavernietigingswapens blijft keren, maar op welke manier, onder welke omstandigheden. In laatste aanleg gaat het er dus om of de volgende regering zich dan solidair zal verklaren, niet met Amerika in het algemeen, maar met de politiek van president Bush, in welke mate en met welke consequenties.

Dat is niet zo eenvoudig meer. Want om te beginnen: welke politiek van president Bush bedoelen we? Een jaar geleden was er geen meningsverschil. Het ging tegen Al-Qaeda. Daarom zijn er Nederlandse troepen en vliegtuigen in Afghanistan. In de vorige verkiezingscampagne heeft geen partij voorgesteld dat ze moesten worden teruggeroepen; de vorige Nederlandse regering heeft er niets over gezegd. In Afghanistan zijn we een betrouwbare bondgenoot van de Verenigde Staten gebleven.

Toen heeft het zwaartepunt van de Amerikaanse politiek zich verplaatst en de politiek zelf heeft een andere vorm gekregen. Er is een inhoudelijke en een formele verandering. Al sinds het begin van het jaar dateert de comeback van Saddam Hussein als wereldvijand nummer één. Washington vestigde opnieuw de aandacht op de massavernietigingswapens, eiste hervatting van de inspecties. Intussen lekte uit dat het Pentagon plannen maakte om een grote oorlog tegen Irak te beginnen, met een leger van desnoods 250.000 man. Dat raakte weer op de achtergrond. In een document, het Nuclear Posture Review, werd het denkbeeld van een preventieve aanval ontwikkeld. Een paar maanden later werd door de president zelf, in zijn Bush-doctrine, de preventieve aanval officieel tot optie voor de oorlogvoering verheven. Dat is de formele kant, een omwenteling in het internationaal recht.

Intussen werd de druk op Irak opgevoerd, ook via de Verenigde Naties. Als de VN de Amerikaanse voorstellen tot de scherpste dwangresolutie niet volgen, zou de organisatie `irrelevant' worden verklaard. Aan de andere kant liet Washington duidelijk merken dat het intussen niet meer ging om de inspecties die bij voorbaat als waardeloos werden beschouwd, maar om de regime change, het afzetten van Saddam. Dit standpunt is de laatste dagen weer afgezwakt. Maar de tekst van de dwangresolutie zou toch nog door een veto van de Fransen en Russen worden getroffen. Daarop heeft het Witte Huis laten weten niet eeuwig de tijd te hebben. Dat is een andere manier om de VN irrelevant te verklaren.

Het valt te verdedigen dat deze escalatie niet zonder resultaat is gebleven. Saddam verklaarde dat hij de VN wilde toelaten en de inspecteurs ongehinderd hun gang laten gaan. Intussen heeft hij, om te tonen dat hij de democratie een warm hard toedraagt, de gevangenissen opengezet, en niet alleen de politieke gevangenen vrijgelaten, maar ook de moordenaars, inbrekers – alle geboefte. Een officiële reactie heeft de president nog niet gegeven. Minister Powell heeft intussen laten doorschemeren dat Saddam zou kunnen blijven als hij aan alle eisen van de inspectie voldoet.

Waarschijnlijk een voorbarige schemering. Want vandaag komt de New York Times met een werkelijk adembenemend verslag hoe volgens de plannen van het Pentagon de oorlog zou verlopen, Bagdad met vermijding van straatgevechten bezet zou kunnen worden, hoe de humanitaire hulp zou worden georganiseerd en hoe verder alles tot in de puntjes geregeld zou zijn. Daaruit zouden we dan weer kunnen opmaken dat, wat Saddam ook zou doen, in ieder geval in Washington zijn dagen geteld zijn. Vervolgens moet Irak worden bezet, en onder een Amerikaans militair bewind naar het voorbeeld van Japan na 1945 tot een fatsoenlijke democratie worden omgevormd, tot voorbeeld van de hele regio.

Niet iedereen in Washington denkt er zo over. Het ondernemen van een invasie wordt door andere generaals en politicologen die Irak kennen, beschouwd als een onoverzienbaar risico. Niemand kan voorspellen wat de reacties in het Midden-Oosten zullen zijn. De weerstand in Irak valt niet in te schatten. We moeten er rekening mee houden dat dit onvoorspelbaar tumult in het Midden-Oosten even onvoorspelbare gevolgen voor de wereldeconomie zal hebben. De strijd tegen het internationale terrorisme zal er nadelig door worden beïnvloed. En er zijn nog meer bezwaren waarvan de redelijkheid niet valt te ontkennen.

De manier waarop de Amerikaanse politiek zich inhoudelijk heeft ontwikkeld, heeft intussen ontwrichting van oude, betrouwbare bondgenootschappen veroorzaakt. Duitsland doet aan een oorlog niet mee; Rusland en Frankrijk distantiëren zich; de NAVO was al irrelevant.

De vraag is nu of Nederland tegen de tijd dat de aanstaande oorlog definitief als `onvermijdelijk' zal worden verklaard, een standpunt zal hebben. Gevechtsvliegtuigen en troepen aanbieden? Meedoen aan de bezetting van Irak? Daarbij ervoor zorgen dat de Nederlandse oliebelangen geen schade zullen oplopen? Het antwoord op deze en dergelijke vragen is van invloed op de politieke en economische positie van het land. En dan is er nog de The Hague Invasion Act die onze soevereine integriteit bedreigt. Een discussie daarover, in het aanstaande verkiezingsdebat is op z'n minst zo belangrijk als het debat over de vraag of één van de publieke zenders moet worden opgedoekt.