Emoties slaan toe in Clickfondszaak

Justitie kan volgende week gewoon beginnen met de inhoudelijke behandeling van de Clickfondszaak van Dirk de Groot, zo bepaalde de rechtbak gisteren. Het proces blijft spannend en vol emotie.

Operatie Clickfonds, de grote beursfraudezaak van het Amsterdamse openbaar ministerie (OM), heeft al voor heel wat emoties gezorgd. Maar de gang van zaken in het proces tegen hoofdverdachte Dirk de Groot slaat tot nu toe alles. Letterlijk welteverstaan. De in Zwitserland woonachtige Nederlandse vermogensbeheerder, die er door het OM van wordt verdacht de spin het web van een systeem van coderekeningen te zijn geweest, sloeg gisteren in de rechtszaal officier van justitie J. Tonino tegen de grond. Zo belandde De Groot op zijn 71ste verjaardag op de plek waar hij vijf jaar geleden ook werd binnengebracht: het politiebureau.

Toen, op 24 oktober 1997, brak de beursfraudezaak uit. Vijf jaar kan de balans nog steeds niet definitief worden opgemaakt. Aan de ene kant wist justitie de gesloten beursmoraal open te breken en enkele veroordelingen binnen te halen, met name op fiscaal terrein. Aan de andere kant kenmerkt Clickfonds zich door onzorgvuldig onderzoek en een ongekende scoringsdrift die niet kon worden waargemaakt. Bij diverse verdachten leidde dat tot schade en frustratie. Het bekendste voorbeeld is de Leemhuis en Van Loon-affaire, waarin het OM vanwege onzorgvuldig handelen zelfs niet ontvankelijk werd verklaard.

Uit het oorspronkelijke Clickfondscomplex van 1997 moeten nog twee grote zaken worden behandeld: tegen De Groot en tegen voormalig effectenhandelaar Adri S. De uitkomst van deze processen zal bepalend zijn voor de uiteindelijke beoordeling van de beursfraude-affaire. Het was dan ook niet vreemd dat het OM gisteren met spanning het oordeel afwachtte van de rechtbank in de De Groot-zaak. Die had een preliminair verweer gevoerd waarin hij betoogde dat het OM haar recht op vervolging heeft verspeeld door onzorgvuldigheden in het onderzoek. Zeker gezien het oordeel van dezelfde rechtbank in de Leemhuis en Van Loon-zaak, leek dit preliminaire verweer van De Groot niet kansloos.

Goed beschouwd is wat in de Leemhuis en Van Loon-kwestie als ,,een patroon van onzorgvuldigheden'' werd omschreven, in de De Groot-zaak nog veel duidelijker aanwezig. Daarbij gaat het vooral om de rechtshulpprocedure naar Zwitserland. Justitie wilde daar de administratie van De Groot in beslag nemen en stuurde dus een rechtshulpverzoek dat, achteraf gezien, aan alle kanten rammelde. Veel aandacht is er tot nu toe uitgegaan naar raadselachtige vertalingen en een extra Duitse zin waardoor De Groot ten onrechte in verband werd gebracht met drugshandel. Maar fundamenteler is de procedure zelf. Ook daarbij zijn vraagtekens te plaatsen. Het is taaie juridische kost, waarbij het bijvorbeeld gaat om de omschrijving van de verschillende delicten. Zo kent Zwitserland alleen maar het begrip `witwassen' als het om crimineel geld naar Zwitsers recht gaat. Fiscale zaken horen daar niet bij. Ook de positie van De Groot als professionele Treuhänder en Zwitsers ingezetene kan complicerend werken als er Nederlandse feiten ten laste moeten worden gelegd.

Bij al deze zaken speelt een oordeel van de hoogste Zwitserse rechter, het Bundesgericht, een belangrijke rol. Dit vonnis, uitgesproken na een beklag van De Groot, zegt dat de rechtshulp terecht is verleend. Maar het Bundesgericht heeft dat alleen bekeken conform het internationale vertrouwensbeginsel tussen staten. Dat betekent dat men ervan is uitgegaan dat de Nederland Bern juist heeft voorgelicht. Zwitserland zelf hoeft ,,noch vragen betreffende de feiten, noch betreffende de schuld'' te onderzoeken en ook geen ,,waardering van de feiten'' te doen, zo stelt het vonnis. Die toets ligt juist bij de Nederlandse rechter.

In dat licht werd er gisteren met spanning uitgekeken naar het vonnis van de Clickfondskamer, de speciaal aangestelde rechters die de beursfraudezaken afhandelen. Maar in het oordeel lijkt de bal te worden teruggekaatst: ,,Van de justitiële autoriteiten van een staat waarmee Nederland een rechtshulprelatie onderhoudt mag ook worden aangenomen dat zij in staat zijn bij de beoordeling van een buitenlands rechtshulpverzoek de eigen belangen adequaat te behartigen.'' Een onbevredigende conclusie. Want het lijkt erop dat geen enkele partij de deugdelijkheid van de rechtshulpprocedure inhoudelijk wil toetsen.

Voor het OM was het in ieder geval een opluchting. De zaak kan nu verder, volgende week woensdag, waarbij deze kwestie overigens opnieuw aan de orde zal komen.

    • Joost Oranje