Bush-doctrine is maar beperkt toepasbaar

Door jegens Noord-Korea beheersing in acht te nemen laat de regering-Bush zien dat haar eigen retoriek van de preventieve aanval niet altijd geldig is. Soms is de schade van preventief optreden goter dan het doel dat daarmee wordt beoogd, menen Ivo H. Daalder en James M. Lindsay.

Afgelopen juni onthulde president Bush zijn doctrine van het preventieve optreden, waarbij hij stelde dat de Verenigde Staten niet meer zouden wachten tot ze werden aangevallen maar zelf als eerste terroristen en tirannen zouden aanpakken. Critici en voorstanders omschreven de nieuwe doctrine onmiddellijk als het einde van het Amerikaanse vertrouwen in de beproefde politiek van afschrikking en indamming. Maar de ingehouden reactie van de regering-Bush op het nieuws over het geheime kernwapenprogramma van Noord-Korea maakt duidelijk dat het gepraat over preventief optreden vooral gepraat was.

Amerikaanse presidenten hebben allang de mogelijkheid om preventief op te treden tegen bedreigingen van de veiligheid. Maar door 11 september is deze mogelijkheid opeens relevant geworden. Voorheen vergezochte scenario's waarin buitenlandse tirannen chemische, biologische of nucleaire wapens aan terroristen overdroegen, werden plotseling voorstelbaar. Bij zo'n verrassingsaanval konden tienduizenden Amerikanen omkomen. De conclusie die het Witte Huis uit dit vooruitzicht trok, was niet verrassend. ,,De Verenigde Staten van Amerika'', waarschuwde president Bush afgelopen januari in zijn befaamde toespraak over de `As van het Kwaad', ,,zullen niet toestaan dat de gevaarlijkste regimes ter wereld ons met de grootste vernietigingswapens ter wereld bedreigen.''

Waarom niet gewoon vertrouwd op de dreiging met rampzalige vergelding om mogelijke aanvallers af te schrikken? In regeringskringen wordt gesteld dat de leiders van schurkenstaten als Irak, Iran, en Noord-Korea wezenlijk verschillend zijn van de mannen die in de Koude Oorlog de leiding in de Sovjet-Unie hadden. De communistische leiders waren weliswaar verbitterde ideologische en militaire rivalen, maar ze waren ook rationeel en afkerig van risico's. Ze waagden zich niet aan acties die hun greep op macht in gevaar brachten.

De huidige dreiging is anders. Volgens de onlangs vrijgegeven nationale-veiligheidsstrategie zien de leiders van schurkenstaten `massavernietigingswapens als een keuzemogelijkheid', niet als laatste redmiddel. Ze zijn meer geneigd risico's te nemen met wapens die ze beschouwen als `werktuigen voor intimidatie en militaire agressie tegen hun buren'.

Daaruit volgt – zo wordt tenminste onophoudelijk gewaarschuwd door regeringsfunctionarissen tot de president aan toe – dat de doctrine van de indamming en afschrikking waardoor de Amerikaanse buitenlandse politiek een halve eeuw is geleid, ontoereikend is om de nieuwe bedreigingen van de veiligheid te weerstaan. ,,De oude veiligheidsdoctrines gaan niet meer op'', zei vice-president Dick Cheney in augustus tegen een gehoor van veteranen uit de Koreaanse Oorlog. ,,Indamming is niet mogelijk als dictators massavernietigingswapens bemachtigen en bereid zijn die te delen met terroristen die van plan zijn de Verenigde Staten rampzalige verliezen toe te brengen.''

Daarmee blijft preventief optreden als enige reële keuze over om iets te doen tegen het `ernstige en groeiende gevaar', om met president Bush te spreken. Nietsdoen komt neer op een uitnodiging tot een tweede, en misschien nog wel dodelijker, 11 september.

De regering-Bush heeft bijna de hele zomer gepleit voor preventief optreden door te wijzen op de directe dreiging die wordt gevormd door Saddam Hussein. Wat niemand in die tijd wist was dat juist op dat moment in de hoogste regeringskringen de informatie binnenkwam over een nog directere dreiging – de heimelijke poging van Noord-Korea om uranium te verrijken en kernwapens te maken.

Niet alleen hield de regering het nieuws over de nucleaire inspanningen van Pyongyang geheim, maar er zijn ook geen aanwijzingen dat ze ook maar iets heeft ondernomen om dat programma een halt toe te roepen. In augustus waren er zelfs Amerikaanse functionarissen in Noord-Korea bij een ceremonie ter gelegenheid van het eerst gegoten beton voor een nieuwe kernreactor. En de Verenigde Staten bleven zware stookolie naar Pyongyang verschepen, ingevolge een bilateraal akkoord uit 1994 ter bevriezing van de Noord-Koreaanse kernwapenactiviteiten, ook al werden de voorwaarden van dat akkoord door het optreden van Pyongyang duidelijk geschonden.

Nu heeft Pyongyang bevestigd dat het kernwapens heeft ontwikkeld. Maar niemand in het Witte Huis praat over preventief optreden. Integendeel. In regeringskringen wordt nu het belang beklemtoond van multilaterale diplomatie en raadpleging van de vrienden en bondgenoten van Washington in Noordoost-Azië.

Er zijn gegronde redenen waarom de regering een vreedzame oplossing voor de huidige crisis wil zoeken. Noord-Korea houdt in wezen het Zuid-Koreaanse Seoel, een stad van tien miljoen mensen die binnen het bereik ligt van de Noord-Koreaanse artillerie en raketten, in gijzeling tegen elke Amerikaanse aanval. Waar zoveel op het spel staat, heeft Washington gelijk als militair geweld niet zijn eerste maar zijn laatste keuze is.

Maar door te besluiten dat de ware kracht in de beheersing ligt, heeft de regering-Bush het beste argument verschaft tegen haar eigen retoriek om als eerste toe te slaan. Preventief optreden is een aanlokkelijk idee. Wie zou geen gruweldaad willen beletten nog voor ze kan worden begaan? Maar het is altijd veel gemakkelijker om tot preventief optreden op te roepen dan om het ook echt te doen.

Wie deze waarheid niet inziet, betaalt een prijs. Het Witte Huis heeft dan misschien ontdekt dat preventief optreden in de meeste omstandigheden niet strookt met de Amerikaanse waarden en belangen, maar andere landen zouden wel eens niet zo teergevoelig kunnen zijn. Die zouden de argumenten van deze regering als dekmantel kunnen gebruiken om hun eigen nationale-veiligheidsrekeningen te vereffenen. Dan zou het Witte Huis van Bush wellicht merken dat zijn woorden worden gebruikt ter rechtvaardiging van doeleinden waar het tegen is.

Ivo H. Daalder en James M. Lindsay zijn verbonden aan het Brookings Institution in Washington.

WWW.NRC.NL: dossier Irak