Kunst van het sterven

Aan het slot van Schuberts liederencyclus Winterreise verschijnt de dood in de gedaante van een draailierman. Hij draait aan zijn lier en wenkt de zingende verteller, die verlost hoopt te worden uit zijn gekwelde bestaan. De piano speelt op dat moment alleen nog kale kwinten. Het duurt niet lang meer, wil Schubert zeggen. En dan is alles voorbij.

Muziek lijkt misschien nog wel het beste te kunnen uitdrukken wat sterven is. Een gevoel, een klank, een uitdrukking van iets dat zich niet laat benoemen. Raster wijdt desondanks zijn nieuwste nummer aan de dood en dan met name aan de kunst van het sterven, de ars moriendi. Het levert veel boeiends op. Zo geeft cultureel antropoloog Samuel de Lange een overzicht van de omgang met het sterven door de eeuwen heen. Hij haalt het beroemde L'homme devant la mort van de Franse historicus Philippe Ariès aan, waarin de huidige angst voor de dood wordt afgezet tegen de meer aanvaardende houding uit andere tijden. Het sterven gebeurde vroeger rustiger, de dood werd `getemd', sterven was een levenskunst. De Lange nuanceert het beeld van Ariès. Zo beweert hij dat sterven op het platteland nog altijd makkelijker gaat dan in de stad. Ook haalt hij op hoe onhandig er zo'n twintig jaar geleden in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis met de dood werd omgegaan. Doodsangst, wanhoop en een zakelijke voorbereiding op het einde werden er door de artsen stelselmatig onderdrukt. ,,Voorop stond natuurlijk de zielenrust van de artsen, de patiënten werd niets gevraagd.''

Muziekcriticus Kasper Jansen kijkt in zijn bijdrage naar sterfscènes in opera`s. Het gaat daarin niet over het `hoe' van het sterven, maar over het `waarom'. Opera dwingt je tot bezinning over je eigen dood, vooral als zo'n sterfscène lang duurt. Van een gezellig avondje uit is volgens Jansen bij Janáceks Jenufa, waarin het schrijnendste sterfgeval uit het hele operarepertoire voorkomt, dan ook geen sprake.

Maarten Asscher haalt in dit voorbeeldige Rasternummer de tuberculeuze Engelse schrijver Ernest Dawson uit de vergetelheid, die in een verhaal zijn eigen sterfbed min of meer heeft beschreven. En classicus David Rijser heeft het behalve over de dood in de Oudheid ook over de geïllustreerde `handboeken voor een goede dood' die tussen de 15de en de 17de eeuw stervenden konden begeleiden in hun lot. Rijser ziet ze als een manier van ,,bluff your way into dying''. Dan zijn er nog de aangrijpende verhalen van Hedda Martens over hoe het leven plotsklaps afgelopen kan zijn, en de doodsanalyse van verpleeghuisarts Bert Keizer. Mooi is diens anekdote over patiënt meneer M., 84 jaar oud en dement. Meneer M. lag de hele dag in zijn bed zachtjes het lied Brand in Mokum te zingen. Op een ochtend hield het ineens op. Meneer M. was net begonnen aan het refrein ,,brand, brand'' en zou dus moeten doorgaan met ,,en daar is geen water''. Maar hij was gestorven, middenin zijn lied. Sterven is als flauwvallen, concludeert Keizer. En dat is een hele troost.

Raster 99, uitg. De Bezige Bij,€15.

    • Michel Krielaars