Afscheid van de politiek

Kort voor zijn afscheid als president van Tsjechië uit Václav Havel zijn twijfels over de hoge functie die hij meer dan tien jaar heeft uitgeoefend. Een ontboezeming over de angsten van een staatshoofd.

Ik heb nog altijd levendige herinneringen aan het concert van bijna dertien jaar geleden – in februari 1990 – toen New York mij welkom heette als de kersverse president van Tsjecho-Slowakije. Dat was natuurlijk niet alleen om mij persoonlijk te eren. In mij konden al mijn medeburgers worden geëerd die door middel van vreedzame actie het wrede regime dat ons land bestuurde omver hadden weten te werpen. Ook werd eer bewezen aan allen die zich voor of met mij tegen dat regime hadden verzet, eveneens met vreedzame middelen. Tal van vrijheidlievende mensen overal ter wereld zagen de overwinning van de Tsjecho-Slowaakse Fluwelen Revolutie als een teken van hoop op een menselijker wereld, waarin dichters misschien net zo'n machtige stem als bankiers zouden hebben.

Onze bijeenkomst van vandaag, niet minder warm en indrukwekkend, brengt me als vanzelf bij de vraag of ik in die bijna dertien jaar ben veranderd, wat die onbegrijpelijk lange termijn als president met me heeft gedaan, en in welk opzicht de talloze ervaringen die ik in deze roerige tijden heb doorgemaakt mij hebben veranderd.

En ik ben tot een verbazende ontdekking gekomen: hoewel zou mogen worden verwacht dat ik door deze schat aan ervaring steeds meer zelfvertrouwen en raffinement zou hebben gekregen, is precies het tegendeel het geval. Ik ben in die tijd heel wat minder zelfverzekerd, heel wat bescheidener geworden. U zult het niet geloven, maar elke dag heb ik meer last van plankenkoorts; elke dag ben ik banger dat ik mijn taak niet aan zal kunnen of dat ik er een rommeltje van maak. Het valt me steeds moeilijker om mijn toespraken te schrijven en als ik ze dan schrijf, ben ik banger dan ooit dat ik mezelf hopeloos herhaal, steeds weer opnieuw. Steeds vaker ben ik bang dat ik de verwachtingen jammerlijk zal beschamen, dat ik zelf mijn tekortkomingen zal etaleren, dat ik ondanks mijn goede wil almaar grotere fouten zal maken, dat ik niet meer betrouwbaar zal zijn en daarom het recht zal verspelen om te doen wat ik doe.

En terwijl andere presidenten, jonger dan ik wat betreft hun ambtstermijn, genieten van elke gelegenheid om elkaar of andere belangrijke mensen te ontmoeten, op de televisie te verschijnen of een toespraak te houden, word ik van al die dingen alleen maar banger. Soms probeer ik me zelfs doelbewust te onttrekken aan iets wat ik als een uitgelezen kans zou moeten begroeten, vanuit de bijna irrationele angst dat ik de kans zal weten te vergooien en misschien zelfs een goede zaak zal schaden. Kort gezegd lijk ik steeds meer een twijfelaar, ook voor mezelf. En hoe meer vijanden ik heb, hoe meer ik inwendig hun kant kies en daarmee mijn eigen ergste vijand word.

Hoe moet ik deze uiterst onwaarschijnlijke ontwikkeling in mijn persoonlijkheid verklaren?

Misschien zal ik hier dieper over nadenken zodra ik geen president meer ben, zodra ik tijd heb me een poosje terug te trekken, een bepaalde afstand van de politiek te nemen en – weer helemaal als vrij man – iets anders dan politieke toespraken te gaan schrijven.

Maar laat ik vooralsnog een van vele mogelijke verklaringen voor deze stand van zaken opperen. Naarmate ik ouder en rijper word, en win aan ervaring en verstand, besef ik gaandeweg de volle omvang van mijn verantwoordelijkheid en van de merkwaardige scala verplichtingen die de taak die ik op me heb genomen met zich meebrengt. Bovendien nadert onverbiddelijk het moment dat de mensen om mij heen, de wereld en – erger nog – mijn eigen geweten me niet meer zullen vragen wat mijn idealen en doelstellingen zijn, wat ik wil bereiken en hoe ik de wereld wil veranderen, maar me eerder zullen gaan vragen wat ik eigenlijk heb bereikt, welke van mijn bedoelingen ik heb verwezenlijkt en met welk resultaat, wat ik als erfenis zou willen nalaten en wat voor wereld ik zou willen achterlaten. En opeens heb ik het gevoel dat juist de geestelijke en intellectuele onvrede die me eens dwong om het totalitaire bewind te trotseren en daarvoor naar de gevangenis te gaan, me nu zo diep doet twijfelen aan de waarde van mijn eigen werk of het werk van de mensen die ik heb gesteund of de mensen wier invloed ik mogelijk heb gemaakt.

Als ik vroeger eerbewijzen ontving en de lofredes aanhoorde die bij zulke gelegenheden worden gehouden, moest ik inwendig vaak lachen om de sprookjesheld die in veel van die huldeblijken naar voren kwam, een jongen die in naam van het goede met zijn hoofd tegen de muur van een kasteel met boze koningen sloeg, totdat die muur instortte en hij zelf koning werd en daarna nog vele jaren wijs regeerde. Het is niet mijn bedoeling om zulke gelegenheden te kleineren; ik hecht grote waarde aan al mijn doctoraten en ik ben altijd ontroerd als ik ze ontvang.

Toch vermeld ik deze andere, ietwat humoristische, kant van de zaak omdat ik langzamerhand inzie dat alles in feite een duivelse valstrik is geweest die het lot voor me heeft gespannen. Want doordat ik echt van de ene op de andere dag belandde in een sprookjeswereld en in de jaren daarna weer op aarde moest terugkeren, besefte ik des te beter dat sprookjes alleen maar een projectie van de menselijke archetypen zijn en dat de wereld helemaal niet als een sprookje in elkaar zit. En ook al had ik nooit geprobeerd om sprookjeskoning te worden en ook al bevond ik me nagenoeg gedwongen in die positie, en ook nog door een speling van de geschiedenis – ik kreeg geen diplomatieke onschendbaarheid die me behoedde voor die harde val op aarde, uit de opwekkende wereld van de revolutionaire opwinding in de platvloerse wereld van de bureaucratische routine.

Begrijp me goed: ik zeg beslist niet dat ik mijn strijd heb verloren of dat alles tevergeefs is geweest. Integendeel, onze wereld, de mensheid en onze beschaving bevinden zich op het ogenblik misschien wel op de belangrijkste tweesprong van hun geschiedenis. We hebben een grotere kans dan ooit in het jongste verleden om inzicht te krijgen in onze situatie en de ambivalente richting waarin we ons bewegen, en niet de weg te nemen die tot onze eigen vernietiging leidt, maar te kiezen voor de weg van rede, vrede en gerechtigheid.

Ik zeg alleen maar dit: de keuze voor het pad van rede, vrede en gerechtigheid betekent heel wat zwaar werk, zelfverloochening, geduld, kennis, rustig overzicht, bereidheid om misverstanden te riskeren. Tegelijkertijd betekent dit dat iedereen moet kunnen beoordelen wat hij kan en daarnaar te handelen, in de verwachting dat zijn kracht door de nieuwe taken die hij zich stelt ofwel zal groeien ofwel zal opraken. Met andere woorden: er kan niet meer op sprookjes en sprookjeshelden worden vertrouwd. Er kan niet meer worden vertrouwd op het historische toeval dat dichters verheft tot posities waarin wereldrijken en militaire allianties ten val worden gebracht. De waarschuwende stemmen van dichters moeten zorgvuldig worden beluisterd en heel ernstig worden genomen, misschien wel ernstiger dan de stemmen van bankiers of beurshandelaren. Maar tegelijkertijd mogen we niet verwachten dat de wereld – in handen van dichters – opeens tot een gedicht zal worden omgevormd.

Hoe dit ook zij, één ding weet ik zeker: hoe ik de rol die me werd toebedeeld ook heb gespeeld, en ongeacht of ik die eigenlijk wel wilde of verdiende, en hoe tevreden of ontevreden ik ook ben over mijn inspanningen, ik vat mijn presidentschap wel op als een prachtig geschenk van het lot. Ik heb tenslotte de kans gekregen om deel te hebben aan historische gebeurtenissen die de wereld echt hebben veranderd. En dat is – als levenservaring en als creatieve mogelijkheid – alle valstrikken waard geweest die erin verborgen lagen.

Tot slot zal ik nu met uw goedvinden proberen om enige afstand van mezelf te nemen en te komen tot de formulering van drie van mijn oude zekerheden, of liever gezegd mijn oude observaties, die door mijn tijd in de wereld van de hoge politiek alleen maar zijn bevestigd:

Wil de mensheid nieuwe rampen overleven en vermijden, dan moet de politieke wereldorde vergezeld gaan van een oprecht en wederzijds respect tussen de verschillende beschavingssferen, culturen, landen of werelddelen, en van welgemeende pogingen om te zoeken naar de waarden en morele grondbeginselen die zij met elkaar gemeen hebben, en die te verwerken in de grondslag van hun gezamenlijk bestaan in deze mondiaal verbonden wereld.

Het kwaad moet bij de wortel worden aangepakt en zal, als het niet anders kan, met geweld moeten worden bedwongen. Als het onmetelijk verfijnde en dure moderne wapentuig toch moet worden ingezet, laat het dan zo worden gebruikt dat de burgerbevolking ongedeerd blijft. Als dat niet mogelijk is, zullen de miljarden die aan die wapens worden besteed weggegooid geld zijn.

Als we alle problemen bekijken waar de wereld op het ogenblik voor staat, of het nu economische, sociale, ecologische of algemene problemen van de beschaving zijn, zullen we altijd – of we willen of niet – tegen het probleem aanlopen of een handelwijze al dan niet de juiste is en of ze op lange termijn verantwoord is voor onze planeet. De morele orde en haar bronnen, de mensenrechten en de bronnen van het recht van mensen op de mensenrechten, de menselijke verantwoordelijkheid en haar oorsprong, het menselijk geweten en de doordringende blik daarop die zich niet van de wijs laat brengen door een gordijn van nobele woorden – dat zijn, naar mijn diepste overtuiging en al mijn ervaringen, de belangrijkste politieke thema's van onze tijd.

Beste vrienden, als ik om me heen kijk en al die beroemdheden zie die ergens uit de sterrenhemel lijken te zijn neergedaald, krijg ik onwillekeurig het gevoel dat ik me aan het slot van mijn langdurige val uit een sprookjeswereld naar de harde aarde opeens weer in een sprookje bevind. Er is misschien maar één verschil: nu kan ik dat gevoel meer waarderen dan ik dertien jaar geleden in soortgelijke omstandigheden kon.

Václav Havel is president van de Tsjechische Republiek. Bovenstaande toespraak hield hij op 19 september in de aula van de City University of New York, ter gelegenheid van zijn laatste officiële reis naar de Verenigde Staten als president van de Tsjechische Republiek.