Rotterdamse muziek stroomt wild en gewaagd

Den Haag heeft met Louis Andriessen zijn hamerende Haagse School. In Amsterdam zorgen leerlingen van Ton de Leeuw voor een meer lyrisch ingestelde compositie-enclave. Maar wat heeft Rotterdam muzikaal te bieden? Op die vraag hoopt het tweejaarlijks Festival Rotterdamse Muziek dat dit weekeinde werd afgesloten met een vier eeuwen omvattende muziekmarathon in De Doelen, uitsluitsel te geven.

Rotterdam heeft de Maas en die leek aanvankelijk ook te stromen in Joep Franssens Roaring Rotterdam. Het verloop bleek echter niet zozeer een genoeglijk boottochtje als wel een race met een Amerikaanse slee - glad en voorspelbaar.

Veel intrigerender en persoonlijker is Moloch voor groot orkest met cd-speler van Peter-Jan Wagemans. Wagemans werd onlangs vijftig, vandaar zijn centrale plaats in de marathon en een `Nacht van PJW'. In Moloch raakt een kolkende menigte op drift. Er zijn associaties met de radeloze bravoure van Ravels La Valse en een soort Westerse derwisjendans – fascinerend!

Aan knalhard koper ontbrak het evenmin in Otto Kettings Robert asks for flowers, hommage to Schumann. De zetting is voor orkest met vier solotrombones, die worden behandeld als één blok. Ook hoorns en trompetten worden bloksgewijs ingezet. Uit de titel blijkt al dat Schumann een woordje meespreekt, in citaten uit de Rheinische Symfonie en Ein Stück Leben am Rhein. Met zijn vrouw Clara wandelde de componist in zijn betere dagen langs deze rivier, maar eenmaal in het gesticht verlangde hij nog wél naar bloemen, maar niet meer naar Clara. Kettings muziek heeft met bloemigheid overigens niets van doen. Zij is helder en nergens dreigt een overstroming in de stijl van Wagemans.

Wild is weer wel Keten voor trompet, orgel en orkest van Hans Koolmees, al zijn net als bij Ketting de solistische bijdragen weinig dankbaar virtuoos uitgewerkt. Eerst speelt het orgel hupse nootjes, die stuurs worden doorsneden door de kordate trompet. Later worden die humeuren omgedraaid. Het orgel plaats een lang aangehouden cluster in het centrum, en dat is dat. Ditmaal intervenieert niet Schumann, maar Schubert. Het citaat komt uit Der Leiermann, slotlied van de cyclus Winterreise. Het duikt op als uitgedund cantando voor viool, hobo en fagot, en brengt rust en bezinning na de nerveuze figuurtjes. Een opvallende inspiratiebron vormen ook de ngodo-dansen van de Tsjopi-stammen uit Mozambiquem, die hun timbili-marimba's urenlang kunnen laten ratelen en rondcirkelen in opperste extase. Voeg daaraan toe de sterk verwante, woest kolkende Straat van Mozambique met zijn stroomsnelheid van meer dan 36 zeemijlen per dag, en we zijn inmiddels wel héél ver van de Maas afgedwaald. Maar ik koester een zwak voor Koolmees' Afrikaans avontuur, voor de curieuze bewegingsimpulsen die zichzelf op gang houden en voor het slagwerk dat aanmerkelijk geraffineerder is toegepast dan in vroeger werk.

En is die waaghalzerige aanpak niet typisch Rotterdams?

Festival Rotterdamse Muziek 2002. Rotterdams Philharmonisch Orkest en Rotterdam Young Philharmonic o.l.v. Jurjen Hempel. Gehoord: 17-18/10 De Doelen, Rotterdam.

    • Ernst Vermeulen