Duivelsgebroed

Nederlanders zijn ten onrechte bang voor paddestoelen. Een pleidooi voor zelf plukken.

De politie gaat paal en perk stellen aan de illegale paddestoelenpluk in Limburgse natuurparken, meldde de krant onlangs. Het zou om grote groepen plukkers gaan, vooral Duitsers, die uit een land komen waar de pluk niet verboden is.

Het bericht is in verschillende opzichten opmerkelijk. Ik wist niet dat plukken in natuurparken illegaal was, en evenmin dat Nederlanders en Duitsers in de herfst op `rooftocht' gaan, zoals de krant zegt.

Naar mijn weten is het in Nederland helemaal geen gewoonte om in de herfst met een mandje vol paddestoelen uit het bos terug te komen. Dat is toch veel te gevaarlijk! En inderdaad, er zijn een paar (zeer) giftige soorten, maar het aantal eetbare paddestoelen is veel groter dan het aantal oneetbare. De zaak is dat de gemiddelde Nederlander de weg niet kent in de doolhof van steeltjes- en zakjeszwammen. Volgens een voorzichtige schatting kan hij niet meer dan drie of vier soorten noemen – de vliegenzwam natuurlijk, het eekhoorntjesbrood, de cantharel en vooruit, het elfenbankje.

Ook vroeger had men niet veel op met de zwammenwereld, getuige namen als satansboleet, heksenboter en judasoor. De volksmond had het over `duivelsgebroed' of `kinderen der duisternis'. De plotse aanwezigheid van al die kleurige vormen in bos of veld kon slechts aan zwarte magie toegeschreven worden.

Men heeft weleens het onderscheid gemaakt tussen volken die al of niet vijandig tegenover paddestoelen staan; het ene volk is `mycofoob' (van mycologie, zwammenkunde), een ander is `mycofiel'. Fransen en Oost-Europeanen zijn mycofiel, Nederlanders en andere Noord-Europeanen zijn mycofoob. Wie in deze tijd in een Bourgondisch restaurant gaat eten, ziet in de eetzaal de oogst van het bos uitgestald; de cantharellen en hoornen-des-overvloeds (`doodstrompetten', in het Frans) prijken natuurlijk ook op de menukaart.

Het heeft mij altijd verbaasd dat Lappen en IJslanders, die toch in een stiefmoederlijk bedeelde omgeving leven, geen oog hebben voor de massa's uitstekend eetbare boleten die in de nazomer op de toendra staan. Dit hele voedselpakket wordt als giftig en onbetrouwbaar afgedaan. Deze zomer maakte ik een voettocht over het Padjelantapad in Zweeds-Lapland. Bij de ingang van het Nationaal Park staat een groot bord met de tekst dat jagen en vissen er verboden zijn, maar het plukken van paddestoelen niet. Geen Zweed of Lap die zich over dat laatste verheugt. Alleen de rendieren doen zich tegoed aan de zee van berkeboleten.

Op dit moment worden weer overal paddestoelenexcursies georganiseerd. Ze worden geleid door boswachters of echte mycologen. Op twee soorten deelnemers heeft de gids het niet zo begrepen – gretige plukkers en verzamelaars van paddo's. De plukkers zijn tuk op de cantharel, de anderen op de hallucinogene kaalkopjes.

Wat is er tegen plukken? Eigenlijk niets, want een jaar later komen de paddestoelen op dezelfde plek weer op. De zwamvlok, waaraan de paddestoel ontspringt, wordt door het plukken niet beschadigd. Volgens deskundigen kan de pluk de productie juist stimuleren. Toch zijn zij om andere redenen geen voorstander van grootscheeps verzamelen – het oog van de wandelaar wil ook wat. Een mycoloog vindt het dan ook helemaal niet erg dat Nederlanders denken dat bijna alle paddestoelen giftig zijn.

    • Gerrit Jan Zwier