Terug tot Jan Wolkers

Terug naar Oegstgeest is niet alleen een sleutel tot het werk van Wolkers, maar ook tot de naoorlogse Nederlandse literatuur. Aldus Pieter Steinz in deel 42 van zijn stoomcursus.

Bij alle vruchteloze speculaties over Nederlandse Nobelprijskandidaten hoor je nou nooit eens de naam van Jan Wolkers. Hij mag dan dertien romans, vier verhalenbundels en vier essaybundels hebben geschreven; hij mag in tientallen talen waaronder het Zweeds vertaald zijn (meest tot de verbeelding sprekende titel: En ros av kött); en hij mag mét Gerard Reve tot de herkenbaarste stilisten van de naoorlogse Nederlandse literatuur gerekend worden – het lijkt er niets toe te doen. Áls er Nederlandse namen voor de hoogste literaire eer worden genoemd, dan zijn het altijd die van Mulisch, Nooteboom en Kouwenaar.

Criticasters zeggen dat het komt doordat Wolkers (76) al in een kwart eeuw geen groot boek heeft geschreven; hij lijkt als romancier vergeten en is zelfs op leeslijsten van scholieren vervangen door navolgers als Ronald Giphart en Kees van Beijnum. Dat kan zijn, maar een schrijver heeft het recht om op zijn beste boeken beoordeeld te worden, en dat zijn er in het geval van Wolkers nogal wat. Turks fruit natuurlijk, dat veel grappiger en ontroerender is dan de film van Paul Verhoeven doet vermoeden. De bundels Serpentina's petticoat en Gesponnen suiker, waarin Wolkers een geslaagde poging deed om in de voetsporen van Edgar Allan Poe seks en dood op een obsessieve manier met elkaar te verbinden. De walgvogel en De doodshoofdvlinder, die bewezen dat Wolkers in de jaren zeventig bepaald nog niet was uitgeschreven. En bovenal Terug naar Oegstgeest, de geschiedenis van een gereformeerde jeugd in de crisis- en orlogsjaren die anno 1965 een nieuwe standaard zette voor literaire autobiografie.

`Elke gelijkenis van figuren in dit boek met bestaande personen berust op toeval, behalve in het geval van de ijscoman aan het begin van de Leidse Hout.' De disclaimer aan het begin van Terug naar Oegstgeest geeft met een knipoog aan dat het hier om een roman gaat, ook al heet de ikfiguur Jan Wolkers en deelt hij een groot aantal autobiografische ervaringen met zijn schepper: de steil-christelijke vader met een verpieterende kruidenierszaak; de bewonderde oudere broer die in het laatste oorlogsjaar aan ziekte overlijdt; de inwisseling van het geloof der vaderen voor het communisme; de wording tot kunstenaar. Ook komen anekdotes en trauma's terug die Wolkers al in eerdere verhalen als `Vivisektie' en `De wespen' en vooral de roman Kort Amerikaans had gebruikt. Maar het blijft een roman, waarin de schrijver de werkelijkheid geweld aandeed als de literaire compositie daar om vroeg. Herinneringen zijn sowieso nogal onbetrouwbaar, memoreert Wolkers op verschillende plaatsen in de roman.

Terug naar Oegstgeest is de elegantste sleutel tot Wolkers' vroege werk: verval en dood, seks en wreedheid, Onze Vader en des schrijvers vader, broederliefde en eenzaamheid – het zit er allemaal in; verpakt in hoofdstukken die afwisselend in het verleden en in het heden spelen, en geschreven in een soms bijbelse en altijd plastische taal die de hand van een beeldhouwer verraadt. Tegelijkertijd is het door de aandacht voor de Tweede Wereldoorlog en het in de huiskamer uitgevochten (religieuze) generatieconflict een klein compendium van de naoorlogse Nederlandse literatuur. En zelfs het hedendaagse `autobiografisme', waarom schrijvers als Connie Palmen en Adriaan van Dis verketterd zijn, wordt in Terug naar Oegstgeest al aangekondigd.

Wee het land dat zijn eigen profeten niet meer eert en leest.

Volgende week: `Herzog' van Saul Bellow.

Pieter Steinz: steinz@nrc.nl

    • Pieter Steinz