Rust, rijkdom en subsidieverslaving

Hoe vergaat het lidstaten die pas later zijn toegetreden? Spanje is dankzij de EU nu een welvarende democratie. Maar steun is verslavend.

Een beetje het geheugen opfrissen kan geen kwaad. Voormalig minister van buitenlandse zaken Fernando Morán, een van de oudgediende zwaargewichten van de Spaanse socialistische partij (PSOE), stak eerder deze maand nog maar eens de loftrompet over de zegeningen van de Spaanse toetreding in 1986 tot de toenmalige Europese Gemeenschap. De socialisten herdachten met een feestje dat twintig jaar geleden hun eerste belangrijke verkiezingsoverwinning werd behaald, een zege die zou uitmonden in bijna veertien jaar van socialistisch landsbestuur.

Het was een historische stap voorwaarts, die toetreding, zo hield Morán zijn gehoor voor. ,,We wilden onze plaats in de wereld terug veroveren, een einde maken aan ons minderwaardigheidscomplex en onze marginale positie.'' En dat is goed gelukt, aldus Morán. Juist daarom stemt het de ex-bewindsman zo treurig dat er de laatste tijd sprake is van gemopper dat Spanje in die dagen niet voldoende de buit had binnengehaald in de onderhandelingen over de toetreding.

Spanje vormt zo vanzelfsprekend onderdeel van de Europese Unie dat eigenlijk niemand ook maar serieus zou overwegen af te haken om, net als in het recent door George Sluizer verfilmde boek van de Portugese Nobelprijswinnaar José Saramago, als schiereiland af te drijven richting Zuid-Amerika. Historisch gesproken mag dat gerust een wonder worden genoemd, want traditioneel lag Spanje altijd sterk met zichzelf overhoop over de vraag of het wel een onderdeel van Europa was. Ja, meende het liberale, vooruitstrevende deel van de natie, nee, dachten hun conservatieve tegenhangers.

Voor de socialistische voorman Felipe González vormde de toetreding een centraal onderdeel van zijn strategie. De tijd was er rijp voor: Spanje wilde zo snel mogelijk de verkalkte dictatuur van Franco vergeten, met zijn bijna veertig jaar van isolatie. Ingebed in Europa zou de democratie niet langer gevaar lopen. Toegang tot de gemeenschappelijke markt bracht vele voordelen en de Europese subsidies waren essentieel om de krakkemikkige infrastructuur te vernieuwen.

Dat laatste is een van de belangrijkste successen geweest van de Spaanse toetreding. Anders dan Italië of – nog erger – Griekenland, waar menige met Europees geld gefinancierde snelweg simpelweg niet bestaat of plotseling eindigt in een geitenpad, werd Spanje in rap tempo voorzien van publieke werken die ongekend waren in zijn geschiedenis. Het land beschikt momenteel over een comfortabel netwerk van snelwegen, luchthavens, hogesnelheidstreinen, stadhuizen en waterzuiveringsinstallaties die met de Europese structuur- en cohesiefondsen zijn gefinancierd. Natuurlijk bleef er wel eens wat aan de strijkstok hangen – waar niet, meent men hier in Spanje – maar over het geheel genomen kan worden geconcludeerd dat het geld in ieder geval niet over de balk gesmeten werd. De injectie van miljarden euro's stimuleerde bovendien de Spaanse economie, die sinds begin jaren negentig tot de snelst groeiende binnen Europa gerekend mag worden.

Europa werd soepeltjes uit de socialistische boedel overgenomen door de conservatieve regeringen onder leiding van premier José María Aznar. Ook dat mag een succes heten, want conservatief Spanje had traditioneel nooit zo veel op met wat er zich voorbij de Pyreneeën afspeelde. Aznar spande zich er juist voor in om Spanje binnen de Unie deel te laten uitmaken van de grote landen, en hoewel dit misschien niet helemaal lukte, werden er succesjes geboekt bij de verdeling van het stemrecht en het binnenhalen van belangrijke ambtelijke posten. Het Spaanse voorzitterschap van de Europese Unie werd ten volle uitgebuit om het leiderschap van de Spaanse premier publicitair in het zonnetje te zetten.

Maar niettemin: na zestien jaar is de nieuwigheid er een beetje af. En hoewel de stemming nog altijd ruim als pro-Europa geschetst kan worden, valt steeds meer geklaag te vernemen. Over landbouw en visserij bijvoorbeeld. Eurocommissaris Franz Fischler geldt als de grote boeman uit Brussel. De vissers zijn kwaad dat het Europese akkoord met Marokko is gestrand, waardoor de netten niet meer uitgeworpen kunnen worden voor de kust van de Westelijke Sahara. De Spaanse vloot zal de komende jaren alleen maar verder worden gereduceerd onder druk van het Europese beleid. Dat laatste is volgens menigeen de hoogste tijd, maar voor een traditionele vissersnatie als Spanje moeilijk te verkroppen.

Hetzelfde geldt voor de landbouw. De poging van Fischler om een einde te maken aan het desastreuze Europese landbouwbeleid heeft in Spanje vooral moord-en-brandgeschreeuw opgeleverd. De Spaanse boeren willen steun en bescherming en liefst tot het einde der tijden. Het Europese landbouwbeleid, met zijn subsidies en prijsgarantieregelingen, werkt verslavend en heeft in veel gevallen een gezonde sanering in de weg gestaan. Bepaalde sectoren, zoals de amandelteelt, kunnen slechts overleven met Europese steun, en in de tuinbouwgebieden is nog steeds sprake van kleinschalige, weinig efficiënte productie. De roep om bescherming, ook in regeringskringen, staat haaks op het imago van de marktliberalisering dat het kabinet Aznar zo graag uitdraagt.

Spanje is in zekere zin het slachtoffer geworden van zijn Europese succes. De uitbreiding van de Europese Unie werpt daarbij zijn schaduw vooruit. De immigranten uit de voormalige Oostbloklanden die in Spanje nu al werkzaam zijn in de bouw en in de kassen, zijn de voorboden van een Spanje dat straks zal moeten concurreren met landen waar de lonen aanzienlijk lager liggen.

En de subsidiestroom dreigt eveneens naar het oosten af te buigen. Spanje heeft nog snel een aantal grote projecten ingediend, zoals de uitbreiding van de hogesnelheidsspoorlijn en het nationale waterplan. Na 2006, de voorlopige slotdatum voor veel subsidies, zal Spanje het waarschijnlijk met minder Brusselse gelden moeten rooien.

    • Steven Adolf