Onderschat niet wat Pim heeft blootgelegd

Velen doen de periode van januari tot oktober 2002 af als een licht traumatiserende hallucinatie die nu afgelopen is. Dat is een angstaanjagende vergissing, vinden Albert Jan Kruiter en Roel in 't Veld.

De Kamerverkiezingen in mei van dit jaar lieten de grootste verschuivingen ooit zien. De massale onvrede die ten grondslag ligt aan het succes van Fortuyn hebben we daarna maar mondjesmaat verklaard en al helemaal niet vertegenwoordigd gezien in het parlement. Na de gebeurtenissen van deze week ziet het er voorlopig ook niet naar uit dat daar verbetering in komt. De politieke reacties hebben een sterk restauratief karakter. De terugkeer van `normale verhoudingen' staat centraal; de `bananenrepubliek' sterft gelukkig. In de argeloos arrogante stijl van de PvdA: de kiezer krijgt de kans zich te revancheren.

De periode van januari tot oktober 2002 is naar het oordeel van velen af te doen als een licht traumatiserende hallucinatie, die nu is geëindigd. Wij denken dat dit een angstaanjagende vergissing is. Meer dan anderhalf miljoen kiezers stemden op Fortuyn. Daarmee brachten ze een lijst zonder Fortuyn als hun vertegenwoordiger in Den Haag en zagen zich vervolgens belabberd vertegenwoordigd.

Niet in de eerste plaats zijn programma of zijn opvattingen verwierven steun, maar het waren vooral hijzelf en de aard van zijn ideeën die steun verwierven: het brutale, het frank en vrije, het onorthodoxe. Karakteristieken die zijn opvolgers pijnlijk misten.

Protest is een belangrijk begrip binnen de beweging die Fortuyn ontketende. De inmiddels gevleugelde uitdrukking: `hij durft te zeggen wat wij denken', moet wel betekenen dat tamelijk grote groepen Nederlanders niet de indruk hadden in een open en eerlijke samenleving te wonen waar je rustig kunt zeggen wat je denkt. Met name de instroom van allochtonen moest wel een schoolvoorbeeld heten van gevallen waarin de politieke correctheid, zoals gepredikt door de bestaande coalitie, iets van je vraagt wat niet in overeenstemming met je gevoel is: de plicht tot acceptatie van nieuwelingen die in veler ogen ook nog een voorkeurspositie krijgen. De moraliserende claim vanuit het paarse machtscentrum werkte verstikkend.

Die acceptatie van nieuwkomers betekende feitelijk uiteraard alleen iets in de wijken van de minder bevoorrechten. In de buurten waar ministers wonen, verblijven buitenlandse diplomaten in gemeubileerde herenhuizen, maar geen asielzoekers. Net als Tijl Uilenspiegel vijf eeuwen eerder, maakte Pim zich vooral de tolk van de kleine man. Die kan de macht niet aan. De spotdrijver is zijn enige hoop.

Protest klonk vooral op tegen een overheid die al eerder zoveel had beloofd, en die de aanvaarde taak absoluut niet in overeenstemming met die beloften kon uitvoeren.

Gedurende de verkiezingscampagne moeten veel anderen zich met vertwijfeling hebben afgevraagd waarom de kiezer almaar steun bleef geven aan een lijst met niet veel goede oplossingen en niet opvallend veel goede kandidaten. Zij konden zich niet voorstellen dat mensen ook om heel andere redenen dan de aard en inhoud van oplossingen of de kwaliteit van kandidaten stemmen. Pim blonk niet uit in oplossingen, maar in het benoemen van problemen. Daarbij behoren proteststemmen.

De bijeengeraapte lijst zonder Fortuyn gaf in de afgelopen maanden geen vorm aan de nalatenschap en bezoedelde die bovendien. De ontwikkeling bevestigde het inzicht dat er een crisis in representatie bestaat. De aanhang smolt weg als sneeuw voor de zon; met het uitbrengen van de stem was vooral afkeer tot uitdrukking gebracht, geen duurzame steun verleend. Maar dat fenomeen beperkt zich niet tot de LPF. Ook anderen mogen er niet meer op rekenen dat de zogenaamde kiezersgunst – die dus veel meer een teken van afkeer van anderen is dan steunverlening – nog enige duurzaamheid bezit.

Daar ligt een dieper gaande ontwikkeling aan ten grondslag waar Fortuyn haarfijn op inspeelde, namelijk de verschuiving van de traditionele parlementaire politiek, naar de mediapolitiek met de pervertering van representatie als gevolg. Fortuyn was de eerste mediapoliticus van Nederland. Hij kende niet alleen als geen andere politicus de mogelijkheden van massamedia, maar hij was ook een begaafd en zeer goed geoefende tv-professional. De socioloog Castells heeft op overtuigende wijze aangetoond dat mediapolitiek wezenlijk anders van aard is dan de vroegere parlementaire praktijk. Mediapolitiek verplaatst de politiek tot in de media, weg uit het parlement. De politicus bedient zich van media om de kiezers te bereiken: hij kan niet zonder. De media kunnen niet zonder de politiek omdat nieuws hun core-business is. En daarvoor zorgen politici.

Deze ontwikkeling kan moeilijk onderschat worden omdat mediapolitiek het landschap van de huidige en toekomstige politiek bepaalt. De structurele wederzijdse afhankelijkheid die tussen media en politiek ontstaat, leidt tot een intense en permanente verhouding. Een eigen wereld ontstaat. Het is maar helemaal de vraag wat die wereld heeft te maken met de rest van de samenleving. Vooral omdat die rest geen stem meer heeft op het ogenblik dat alle partijen op elkaar zijn gaan lijken als gevolg van ontideologisering.

Dat leidt ertoe dat wij onze waarden nu veel meer tot uitdrukking brengen in het lidmaatschap van een reeks van organisaties die ons – per waarde – vertegenwoordigen. Het is in dit verband dan ook beter te spreken van single value-organisaties dan van single issue-organisaties. We bezitten meer zekerheid over het toekomstig handelen van de ANWB, dan over het handelen van de minister van Verkeer en Waterstaat in de eerstvolgende coalitie. Ook al is die minister van de partij van onze voorkeur. Zoals Castells opmerkt, is het dus niet onwaarschijnlijk dat ik mijn stem bij algemene verkiezingen eerder zal gebruiken om een teken van afkeer te geven, dan om een poging te doen om mijn voorkeuren werkelijk gerepresenteerd te zien. Een proteststem als hierboven beschreven. Als ik mijn stem gebruik om alleen afkeer te demonstreren zoals de proteststemmers hierboven, dan ben ik niet uit op echte representatie.

Ziedaar de kern van de crisis van representatie. Als wantrouwen gerepresenteerd wordt door een proteststem, door afkeer, dan betekent dat dat representatie niet tot steunverlening kan leiden. Daarom is representatie geperverteerd.

Fortuyn voelde deze crisis in representatie die samenhangt met de opkomst van mediapolitiek haarfijn aan. Hij toonde zich dan ook keer op keer een voorstander van vormen van democratie waarbij de kiezer rechtstreeks de voornaamste machthebber kiest, een president of een burgemeester. Met de moord op Fortuyn is de crisis in representatie echter niet verdwenen.

Het onbehagen en het wantrouwen die zich manifesteerden in de opkomst van Fortuyn zijn uiteraard niet verdwenen. Die behoeven aandacht. Door de perikelen rond de val van het kabinet zal het vertrouwen niet toenemen. De kiezers die een half jaar geleden nog een ongeëvenaarde aardschok hadden veroorzaakt, blijven nu verweesd achter. Bij velen bestaat dan ook de vrees dat bij de aangekondigde nieuwe verkiezingen minder mensen een vertegenwoordiger zullen kiezen, ergo een stem zullen uitbrengen. En juist daar verliest de democratie. Democratie is immers bindweefsel voor een samenleving. Indien die eigenschap niet langer aanwezig is, moeten wij ons druk maken over de verbroken verbindingen.

Er bestaat wantrouwen tegen het gedrag van politici, maar ook tegen de prestaties van de overheid in het algemeen. De voornaamste oorzaak hiervoor is te vinden in de dynamiek van het politieke proces. De overheid streeft immer naar hogere prestaties. Het ambitieniveau van onderling concurrerende partijen rijst, zeker tijdens verkiezingstijd, de pan uit. Toch blijkt na de verkiezingen altijd dat er een discrepantie bestaat tussen het prestatieniveau en de gedane beloftes. Als de gevestigde politieke partijen op oude voet doorgaan, dan zal de participatie van de burger in verkiezingen nog verder afnemen.

De richting van een oplossing is bekend: als de overheid wantrouwen wekt door het laten ontstaan van een kloof tussen belofte en prestatie, moet de politiek bij zichzelf te rade gaan over haar functioneren, in plaats van ambtenaren de schuld te geven. Haar vermogen tot aansturen is kennelijk onvoldoende ontwikkeld, en wellicht is er ook sprake van mateloze zelfoverschatting. Realistische taakstellingen voorzien van voldoende middelen met voortdurende aandacht voor noodzakelijke tussentijdse aanpassingen zijn voor herstel van vertrouwen een noodzakelijke, maar niet voldoende, voorwaarde.

Realistische communicatie over de mogelijkheid van beleid is een tweede vereiste. Het ambitieniveau moet drastisch benedenwaarts worden aangepast. Niemand kan de files oplossen, dus ook partij x niet. Dus geen verwachtingen wekken, die niemand waar kan maken. Dit is vanzelfsprekend makkelijker gezegd dan gedaan omdat de rationaliteit van het politieke proces niet tot de voor ons aanvaardbare zelfregulering leidt.

Daarom moet welwillend worden gedacht over nieuwe institutionele vormen. De instellingen van ons democratisch bestel zijn bedoeld om uitvoering te geven aan fundamentele beginselen van de democratie. Verandert de samenleving, dan dient mogelijk ook de gedaante van instituties te veranderen.

Directere democratie door het direct kiezen van bestuurders naast vertegenwoordigers bepleiten velen, maar veelal zonder verband met versterking van de soevereiniteit van burgers. Dat geldt bijvoorbeeld in onderwijs en gezondheidszorg. Wij moeten de vraag onder ogen zien of die versterking van burgersoevereiniteit niet ook vergt dat de functie van een algemene volksvertegenwoordiging opnieuw wordt bepaald.

Door de erkenning van hetgeen Fortuyn heeft blootgelegd, kan een angstaanjagende vergissing worden voorkomen. Wij definiëren de nalatenschap van Fortuyn als de opdracht om verbroken verbindingen te herstellen: enerzijds door herziening van de taakstelling van de overheid en anderzijds door institutionele hervormingen, in het bijzonder met betrekking tot meer directe vormen van democratie.

Die nalatenschap raakt niet alleen zijn aanhang, maar al wie de democratie lief is.

Albert Jan Kruiter en Roel in 't Veld zijn bestuurskundigen.

    • Albert Jan Kruiter
    • Roel in 't Veld