Meer domme studenten

Steeds meer Nederlandse 18-jarigen gaan het tertiair onderwijs in. Was dat nog 1% aan het begin van de 20ste eeuw, nu is het rond 25%. Er is extra talent gerekruteerd, maar het leeuwendeel van de groei is voortgekomen uit de toelating van minder begaafde studenten. Gemiddeld zijn de studenten dommer geworden.

De verdomming van het tertiaire onderwijs is nog niet ten einde. Kennis is inkomen en ook als kinderen zelf geen zin hebben in nog meer leren, zullen de ouders ze wel naar hbo of universiteit drijven. Sybolt Noorda, voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, denkt dat op den duur meer dan 50% van alle 18-jarigen het tertiaire onderwijs in zullen gaan. Ook studenten met een IQ van 100 of minder kloppen straks aan de poort en moeten worden toegelaten tot een vorm van tertiair onderwijs.

Lang was iedereen enthousiast over deze massale toestroom naar hoger onderwijs. Meer studenten betekende meer knappe koppen in Nederland. Wie wilde studeren, kon studeren, althans dat was de verwachting. Als de professoren maar een beetje hun best deden, kon iedere Nederlander een volwaardig doctoraal diploma krijgen. Dat intelligentie aangeboren is, was onbespreekbaar.

Op de golven van dit misplaatste optimisme stroomden de studenten de universiteiten binnen. De universiteiten werden gedwongen om als maatschappelijke overlooppolder te fungeren. Het wassende water mocht niet met een numerus fixus worden gekeerd. Slechts een enkele dure studie werd beschermd. De universiteiten werden zelfs gelokt met studentgebonden financiering: hoe meer studenten, hoe meer geld. Dammen tegen verdomming zijn dan niet licht gelegd.

Wat te doen, behalve jammeren over die kortzichtige overheid ? Die bazige, bemoeizuchtige overheid die de basis van de kenniseconomie laat verkommeren, maar tegelijkertijd de universiteit belemmert in het vinden van privaat geld of het kanaliseren van studentenstromen ? UvA-voorzitter Noorda klaagde weinig in zijn toespraak bij de opening van het nieuwe academische jaar. Hij meldde dat universiteit, hoger onderwijs of wetenschap nergens in de regeringsverklaring voorkomen en dat kennis alleen in de Zalmse zin van het woord wordt genoemd: `Gemeten naar de kennis van vandaag moeten we constateren dat op te grote voet is geleefd.' Verder maakte Noorda weinig woorden vuil aan dit inmiddels gevallen kabinet. Hij schetste de mogelijkheid dat gebrek aan belangstelling voor wetenschap en cultuur ook minder bedilzucht van de overheid zou kunnen betekenen, zodat het tertiaire onderwijs zijn eigen boontjes zou kunnen gaan doppen. Tijd dus voor een nieuw toekomstbeeld.

Het toekomstbeeld van Noorda gaat uit van een integratie van universiteit en hbo, zoals in Amsterdam nu wordt bewerkstelligd. Ik vond dat altijd een griezelig idee, net als die grote scholengemeenschappen met mavo en vwo, maar Noorda laat zien dat die integratie onontkoombaar is. Als studenten zo enorm verschillen in aanleg en belangstelling, wordt het tertiair onderwijs een groot rangeerterrein, waar zowel de boemeltjes als de sneltreinen efficiënt doorgeleid moeten worden. Dat kan alleen als er geen barrières zijn om studenten rap door te sturen naar de studie die hun past, simpel of complex. Ook voor de domoor moet er een aardig diploma te halen zijn, maar dat moet dan gebeuren in een goedkope, efficiënte, schoolse studie. Noorda zegt het wat aardiger en omfloerster, maar dit is wel de essentie van zijn visie: integratie van universiteit en hbo hoeft niet tot een slap gemiddelde te leiden, maar is de enige manier om de concurrentie tussen die twee op te heffen, de taken duidelijker te verdelen, en verdere afkalving van het wetenschappelijke onderwijs en onderzoek te voorkomen.

Een rangeerterrein moet niet alleen veel wissels hebben, maar ook een selectiesysteem om snel uit te vinden welke trein op welk spoor hoort. Een universiteit moet kunnen selecteren op verstand en intellectuele belangstelling, zoals een conservatorium selecteert op muzikaliteit en een academie voor natuurgeneeswijzen op goedgelovigheid. Daarmee heeft de universiteit wel een probleem, want selectie op intellect is impopulair. Mensen willen nog wel toegeven dat ze goedgelovig of onmuzikaal zijn, maar dom? Dat nooit. Dom heeft een slechte bijklank, ondanks alle hoogbegaafde mislukkelingen en ondanks al die aardige, succesvolle steunpilaren van onze maatschappij met een bescheiden IQ. Als ik pleit voor slimme, gemotiveerde studenten, echte academici voor een echte universiteit, vinden lezers dat arrogant, elitair, kil, dat weet ik nu al.

Toch is die stringentere selectie onontkoombaar. Als het tertiair onderwijs geen Cito-toets aan de poort in mag voeren, zullen er veel meer bindende studieadviezen gegeven moeten worden in een vroeg stadium van de studie. Ook in de bachelorfase zal er meer differentiatie moeten komen in studiezwaarte en dus in de studenten waarvoor een studierichting geschikt is. Wie het niet trekt in de rechtenstudie, zal vroegtijdig doorgesluisd moeten worden naar een opleiding tot juridisch assistent of zoiets, zodat niemand meer weg hoeft te gaan zonder een afgeronde studie. Kan een universiteit zo'n draai maken ? Ook Noorda is sceptisch. Hij citeert een Amerikaanse collega die verzuchtte: `Universities are like graveyards; you have to resurrect the dead before you can move them.' De neiging is groot om nieuwe onderwijsvaten te vullen met oude wijn, ook als die vaten Bachelor of Master heten. Nu het water over de universitaire dijken loopt, is er misschien toch een mogelijkheid voor een drastische herverkaveling volgens het Amsterdamse model van Noorda.

Ik loop nu 50 jaar mee in de UvA, van student in 1952 tot strategisch hoogleraar nu, en in die 50 jaar heb ik gezien dat de universitaire organisatie heel wat hebben kan. Ik heb de oude hoogleraar-directeur nog meegemaakt, verlicht despoot die tot zijn zeventigste door mocht gaan. In de jaren zeventign ben ik zelf directeur van een universitair instituut geweest en toen werden beslissingen genomen door de hele instituutsbevolking op een one-man, one-vote basis in de collegezaal. Ook dat werkte min of meer. Ik heb de explosieve groei gezien van de andragogie in de jaren zeventig. Half Nederland studeerde toen andragogie in Amsterdam en die studie stelde niet veel voor, vond ik, evenmin als die andere insectenplaag nu, de studie Communicatiewetenschappen. Ik heb in de Universiteitsraad gezeten van de UvA, toen deze raad voor twee-derde bestond uit vertegenwoordigers van studenten en ondersteunend personeel. Sommige studenten waren lid van de Communistische Partij. De raad was het hoogste orgaan in de universiteit.

Dat kon toen allemaal en de UvA heeft het overleefd. Dan zou die UvA nu ook in staat moeten zijn om samen met de Hogeschool van Amsterdam een studierangeerterrein op te zetten waarin voor iedere student een passend spoor beschikbaar is. Voor al die aardige, enthousiaste, gemotiveerde studenten die niet zo slim zijn, die geen trek hebben in theoretische bespiegelingen en die gewoon praktische vaardigheden willen opdoen voor een nuttige, goed betaalde baan kan er dan een divers pakket aan simpele, goedkope bachelorprogramma's komen. Daarin geen ouderwetse hoogleraren die vragen `hoe zou dat kunnen zitten?' zoals ik wel eens doe tijdens college, maar vlotte docenten met duidelijke antwoorden op tentamenvragen. Dan blijft er voldoende geld over voor werkelijk wetenschappelijke opleidingen, waarin een select groepje fanatiekelingen met een goed verstand onderwijs krijgt van docenten die zich met dit ongemakkelijke publiek kunnen identificeren.

    • Piet Borst