GEVOEL VAN PRIEMENDE OGEN IN DE RUG KOMT VOORT UIT EENZAAMHEID

Mensen die zich aangestaard voelen, missen de bescherming van een eigen sociale groep. Dat bericht de Journal of Applied Social Psychology (2002, 32/4) op basis van een Amerikaans onderzoek. De onderzoekers van de Ohio State University ontkrachten het hardnekkige geloof dat je anderen kunt voelen staren, terwijl je ze zelf niet kunt zien. Je kunt geen ogen in je rug voelen prikken. Het uitkomst staat haaks op de ideeën van de controversiële Britse bioloog Rupert Sheldrake, die in zijn boek `Seven experiments that could change the world' (1994) onder meer een onderzoek beschreef waarin geblinddoekte proefpersonen opvallend vaak correct aangaven dat iemand naar hen zat te staren.

De sociaal-psychologen voerden het experiment uit onder 71 proefpersonen. De proefpersonen, allen student, zitten in een kamer, terwijl op anderhalve meter achter hen iemand op schriftelijk commando dan staart, dan weer niet staart. Dat gebeurt tien keer gedurende een periode van 30 seconden. De proefpersoon noteert wat hij of zij voelt.

Geen enkele proefpersoon scoorde beter dan het toeval. Het gevoel starende blikken te ontvangen, hield dus geen enkel verband met de blikken die werden geworpen. Dit alles werd weliswaar gemeten onder een selecte groep in een experimentele en dus gekunstelde situatie, maar de vraag blijft waarom iets dat fysiek niet kan, iemand voelen staren, toch wel zo wordt ervaren.

In de sociobiologie staat staren voor agressief en dominant gedrag. Staren is een bekend aanvalssignaal uit de dierenwereld. En aangestaard worden betekent afdruipen met de staart tussen de poten, of leidt tot een agressieve en vijandige gedragsreactie en strijd. Vroeger was men ervan overtuigd dat er licht of vuur uit de ogen van mensen kon komen en op objecten viel. Het boze oog evil eye kon zelfs doden.

Moordpogingen ervaren de proefpersonen in het dagelijks leven niet, wel bespeurt 83 procent van de deelnemers aan het onderzoek starende blikken, ook afkomstig van dieren. Uit de interviews die volgden op het experiment bleek een duidelijke relatie tussen staargevoelens en groepsomstandigheden; mensen die wel boze blikken menen te voelen, zijn relatief vaker alleen of met onbekenden en missen de bescherming van de eigen groep. Ontvankelijk voor boze blikken zijn bovendien vooral personen die zich zorgen maken over wat anderen van hen denken, of personen die zich kwetsbaar voelen.

De sociobioloog Wilson benadrukte ooit al dat alleen zijn, of afgezonderd van de sociale kudde, gevaarlijk is voor het sociale wezen. Of het nu dieren of mensen betreft. Goed gezelschap, of desnoods een dikke huid, is daarom vermoedelijk de beste verdediging tegen vermeend boosaardige blikken.